Maria’s Mooie Mensen 377

Het optuigen van ons huis rond Kersttijd is een klus die manlief en ik heel serieus nemen. Als streven hebben we ooit uitgesproken elk jaar wat meer versiering toe te voegen, maar gelukkig voor de buurt is dat tot op heden niet heel haalbaar gebleken. Toch komt er mondjesmaat wat bij; het ene jaar in huis, het andere jaar toch weer aan de buitenkant. En stiekem schuiven we ook het tijdstip waarop van ons de lampjes weer aan mogen wat op, want ach: als die maar twee weekjes branden is ook zo zonde. Dus al in november was ons huis een heus lichtbaken voor de buurt – wat het met dank aan ons grote verlichte huisnummer (beroemd en berucht in het dorp) toch al was. Een rol die we met verve vervullen zodra de ijspegeltjes aan de dakrand weer gaan branden. Al snel komt het verlichte hert weer van zolder, verschijnt er een verlicht Kerstboompje naast de met verlichte nephulst omhulde voordeur. Eén jaar wikkelde manlief met precisie alle perenboompjes tak voor tak in de lichtslangen; prachtig om te zien, een crime om eruit te halen. En daar zit de crux in ons huishouden: het moet allemaal weer opgeruimd. Met lede ogen kijken wij na de jaarwisseling naar de lampjes in huis. Die Kerstboom kan ons al snel weer gestolen worden, de kaarsjes gaan direct minder aan. Alleen het wegpakken van alles, dáárvoor bespeur ik veel minder enthousiasme dan voor het neerzetten. Waar de kinderen de boom bijna geheel zelf hebben versierd – en nog eens en nog eens omdat onze kitten Fien alles er vakkundig uit weet te tikken -, hebben ze als deze leeg moet opeens van alles anders te doen. En dus waag ik me eraan, kom ik in de knup met slingers, laat een bal of twee kapotvallen en haal Fien nog maar eens boven uit die boom. Ik moet het hele huis door om de Kerstknutsels te verzamelen, op de voeten gevolgd door Fien die mijn keurige stapeltje knutsels tot drie keer om gooit. Ik ontmantel oudste dochterlief haar op school gemaakte Kerststukje; Fien pikt ondertussen de één na de andere paddenstoel van mijn stapel. Terwijl ik haar even later zie rondrennen met een nep-dennenappel uit mijn Kerstkratten, probeer ik die kratten zo economisch mogelijk in te pakken. Fien duikt nog even in een ander krat, terwijl manlief al mopperend van buiten komt om zijn ‘work of art’ weer elf maanden op te bergen. Hij sleept alles naar zolder, als het opeens wel heel verdacht rustig om me heen is. Ja hoor, ook de vlizotrap naar zolder is voor dit katje geen probleem en daar vermaakt ze zich prima. Zuchtend til ik dit monster naar beneden waar de dames zich losweken van de tv en verwonderd opmerken dat alle Kerstspullen weer weg zijn. ‘Ja’, mopper ik, ‘en waar waren jullie? Niemand die me helpt.” Droogjes merkt het drietal op dat dát niet helemaal klopt. “Fientje heeft jou geholpen.” Ik vraag me af wat beter is: een kat die de boel op stelten zet of drie dames die dwars door elkaar zouden inpakken. De klus is weer geklaard, op naar het ‘normale’ leven. En stiekem verheug ik me nu alweer op het neerzetten van al die prulletjes, knutsels en lampjes.