Maria’s Mooie Mensen 382

Onlangs had oudste dochterlief weer een heerlijk ‘ouderwets’ kinderfeestje. De laarzen en oude kleren mochten aan en een clubje kinderen werd lekker losgelaten in het bos. Op zoek naar een niet bestaand wezen die alle snoepjes van de kinderen gestolen had, maakten ze tegen twee uur lang heel wat meters over kleine paadjes en door grote velden. Van hint naar hint trokken ze tot de zak met snoep werd gevonden en uiteraard verorberd. Eenmaal thuis hadden we er geen kind meer aan en ze sliep als een baby. De dag erna kwamen de verhalen. Het feestje vond plaats in ons eigen dorp en dit bos liepen ook wij wel eens. Maar deze route nog nooit en ze bleef er maar vol van zitten. Dus een weekendje later trokken wij maar weer laarzen en oude kleren aan om te kijken of dit gekke wezen wellicht nog meer snoepjes achter had gelaten. Gedreven door de trek in snoep sloten uiteraard ook haar twee kleine zusjes aan achter oudste dochterlief die ‘zéker’ de weg nog wist. Ik liet haar begaan; zo groot was dit bos niet en we kwamen vanzelf wel weer thuis. Na een vrij blubberig kronkelpaadje gingen we over op een groot pad. Zusje één had er uiteindelijk maar weinig zin in en begon al wat te protesteren. Voorop ging het echter lekker en werd er honderduit vertelt over de week ervoor. We kwamen bij een groot veld, waar we volgens haar dwars doorheen moesten banjeren. ‘Kijk’, wees ze aan, ‘op dit oranje bord staat vrij wandelen’. En inderdaad, blijkbaar was dit de bedoeling. We trokken door het veld, nog blubberiger dan het pad wat we hadden gehad, en haar zusjes besloten mij stijf vast te houden. Langzaamaan waren we wel steeds verder van huis. Zij zocht naar de ingang van het bos terwijl wij probeerden niet vast te komen. Ik kreeg wat twijfels, maar verrek: ze vond een pad het bos in. Inmiddels protesteerde haar zusje meer en meer, maar teruggaan was ook geen optie. We kronkelden weer over kleine paadjes, doorkruisten nog een veld en ja hoor: ze vond nog steeds een herkenningspunt: ‘één meisje had geen laarzen aan en zat in deze blubber met haar schoenen’, lachte ze. ‘Heel sneu voor de schoenen’, concludeerde ze erachteraan. De spetters op mijn broek wuifde ze weg met de opmerking: ‘het zou maar op je gezicht zitten.’ Ik vroeg me af of het goed zou komen, haar zusje begon te huilen, maar mijn oudste dochter hield moed. Haar andere zusje vroeg vertwijfeld of we bijna bij de snoepjes waren. We ploegden door over gevallen boomstammen en door heel veel blubber. Uiteindelijk stapten we het bos uit, herkende ik een weg vrij ver van huis en sprak ze de woorden: ‘er is toch iets mis gegaan’. Ik besloot een hulplijn in te roepen en manlief liet ons bijna aan de weg staan toen hij zag hoe goor we waren. Thuis hebben we maar een zak snoep uit de kast getrokken. En ze sliepen nogmaals als roosjes die avond.