Maria’s Mooie Mensen

Het schijnt dat kinderen tegenwoordig niet meer genoeg buiten spelen, maar als moeder vraag ik me ook weer af: kunnen kinderen nog buiten spelen tegenwoordig? Laat ik vooropstellen: buitenlucht is erg belangrijk voor kinderen. Van baby af aan heb ik mijn dames veel en zo goed als dagelijks ‘gelucht’. Even de frisse lucht in ontspant ze, maakt ze lekker moe en helpt tegen kleine irritaties. Op dagen dat ze elkaar de hersens bijna inslaan, gaat hier standaard de deur open en mogen ze het buiten even uitzoeken. Mijn oudste dochter was net zo’n koe die voor het eerst de wei in ging; zodra ze de buitenlucht rook, ging ze immer huppelend en blij het leven tegemoet. Waar zij úúúren kon doen over een wandelingetje langs het fietspad omdat bloem voor bloem bekeken werd, zijn haar zusjes juist meer van de harde actie. Die twee moeten ook echt even een portie energie kwijt buiten en lange lengtes – van stukken stoep tot aan een groot veld – trekken hun om te rennen, rennen en nog eens rennen. Aan mijn kinderen zie ik hoe belangrijk het is om lekker veel naar buiten te gaan, maar zoals ik al me al afvroeg: kàn dat nog tegenwoordig? Voor onze deur is een prachtig speelveld. Hoewel de toestellen inmiddels tot de oudjes van dagen behoren en langzaamaan letterlijk het veld ruimen, vermaken de kinderen zich opperbest op dit veld. Ze zoeken elkaar wel op en hebben simpelweg weinig nodig om het naar de zin te hebben. In de zomer wordt er een bloemenwinkel gecreëerd; in de winter wordt de klimboom wat meer bedwongen. De weg naar dit veld toe is altijd een uitdaging voor mij. Met drie kleine kinderen langs een drukke weg zonder stoep betekent voor mij drie minuten zweten en continu polsen waar iedereen is en of niemand het toch in zijn hoofd krijgt zomaar over te steken. En dan zul je altijd zien: ben je er net, moet er weer iemand plassen en kun je weer terug met het hele gevolg. Oudste dochterlief mag met haar zes jaar inmiddels ook alleen richting het veld. Maar toen zij en het buurjongetje bleven beweren dat er een enge man in de bosrand naar hun stond te gluren – ik kon hem gelukkig niet ontdekken of mijn ogen gaan echt rap achteruit –  werd het wel hoog tijd om eens een gesprekje te hebben over enge mensen. Dus spraken wij af: met vreemden gaan we niet in gesprek en al helemaal niet mee. Al snel kwamen deze behulpzame zesjarigen met àllerlei uitzonderingen: ‘wat als iemand de weg vraagt en ik die ook weet’, ‘als iemand zich eerst heeft voorgesteld is hij toch niet vreemd meer?’ en uiteraard de ‘maar ik ben niet bang voor een vreemde’. Zonder ze bang te willen maken, heb ik ze toch geprobeerd uit te leggen dat het niet normaal is de weg te vragen aan een kind van zes, dat er soms mensen zijn die niet het beste voor hebben met een ander – ‘wat onaardig’ – en dat ze vooral lekker moeten gaan spelen. Laten we het daar voorlopig nog maar op houden: gewoon lekker spelen. Hopen maar dat de wereld nog niet zo slecht is als hij soms lijkt. En vooral dat die enge man in de bosrand fantasie blijft.