Maria’s Mooie Mensen

Week drie van het thuisonderwijs; het is de week dat de nieuwigheid er wel weer af is en de frustratie en onmacht hoogtij vieren. Die filmpjes van de meester – niks mis mee overigens – hebben wij hier wel gezien en het beeldbellen kunnen zelfs mijn dochters van vier al zelfstandig. Ik merk: het is de week van de boze meisjes. Boos zijn ze op de wereld, op Mark Rutte – ja ook die kennen ze nu allemaal wel -, op corona, op mij. Boos, omdat ze liever weer naar school gaan, vriendjes en vriendinnetjes beginnen te missen en alleen maar thuis zijn niet meer voldoet. Is het alleen maar kommer en kwel hier? Zeker niet. Meer dan andere weken heb ik mijn werk aan de kant geschoven om de dames meer te helpen met schoolwerk. Ik dompel me onder in voor mij bij tijden onbegrijpelijke taalregels – compleet anders dan ik het geleerd heb – en de tafels. Met de jongste twee puzzel ik wat af, we oefenen het alfabet en tellen menigmaal tot honderd. Ik denk dat dat niet slecht is voor een vierjarige. Met enige spanning lees ik de berichten over onderwijsachterstanden en alles daaromheen en met een kritisch oog volg ik hoe mijn dochters werken. Het idee dat ze echt achter lopen door deze weken van thuisonderwijs heb ik niet, maar ik heb ook niet een heel reëel beeld met een oudste dochter die sowieso ver voor loopt en twee vierjarigen die nog in groep één bezig zijn. En ik heb natuurlijk geen enkel idee wat ze op een normale schooldag aan werk verzetten. Ook deze week weet ik weer zeker dat het onderwijs niks voor mij is, maar ik kan dit kijkje in de lesstof wel waarderen. Mijn bemoeienis en uitleg kunnen mijn dochters andersom niet altijd waarderen. Het blijkt deze week opnieuw dat je je het beste kunt afreageren op degene die je het liefste ziet. Een wijze les uit de peutertijd van mijn dames introduceer ik maar weer: buitenlucht lost heel veel op. Vroeger zette ik ze graag op de fiets of in de wandelwagen als er geen land mee was te bezeilen; nu lopen we heel wat rondjes door het bos. Ik vraag me regelmatig af wie ik nou écht uitlaat: de hond of de kinderen. De jongste twee ravotten alle spanning eraf; de oudste haalt haar behoefte aan mama – en dan niet juf mama – in door steevast hand in hand met me te lopen. De situatie in de wereld laat geen van mijn dochters onberoerd. Ik hoor hoe ze in bad spelen met nepprikjes: ‘je moet je vaccin krijgen, want er gaan duizenden mensen dood aan corona’. En ik hoor ook van buurmeisjes hoe ze ’s nachts niet kunnen slapen en maar weer aan de keukentafel gaan zitten. Daar zit blijkbaar de échte zorg van deze tijd. Tegenwoordig zijn we schijnbaar allemaal curlingouders: we poetsen tegenslagen weg. Maar tegenslag heeft deze generatie straks wel genoeg leren kennen. Hopelijk kunnen ze snel weer onbezorgd kind zijn.