Maria’s Mooie Mensen 443

Toen de eerste verjaardag van onze jongste dochters aanbrak, haalde ik niet alleen gebak in huis, maar ook twee flessen roze bubbels. Het was niet de melancholie dat ze baby-af waren die overheerste, maar de euforie dat we het pittige eerste jaar achter ons konden laten. Uiteraard sliepen ze die nacht – en nog velen die volgden – even slecht als anders, maar op de dag zelf voelde het alsof we radicaal een eind maakten aan alle uitdagingen die dat eerste jaar met zich mee had gebracht. Afgelopen weekend was er weer een eerste verjaardag te vieren. Onze puppy is eindelijk puppy af en tegen beter weten in, hoopten we ook nu dat hij al zijn puppystreken overnacht verloren was. Nero is echt een kind erbij en dan ook nog eens een lastig kind. Zou hij langs de ADHD-meetlat worden gehouden, dan zou hij alle boxen aantikken. Hij is druk, barst van de ongeremde energie, kan zich niet focussen, heeft baat bij structuur en kan slecht omgaan met prikkels. Het leek zo leuk en gezellig; een hondje. En een hondje moet worden opgevoed, dat staat buiten kijf. Maar met Nero hebben we al heel wat meegemaakt. Het schattige hondje van weleer kozen we uit een nest van twaalf op aanraden van oudste dochterlief omdat hij op haar plaste. Hij stal uiteraard onze harten, had van die prachtige trouwe bruine ogen en voelde nog zo zacht. Eenmaal thuis racete hij direct de kinderen omver en liet voelen dat zijn tandjes scherper dan scherp waren. We plakten vorige zomer zwembad na zwembad als meneer weer in de buurt was geweest, braken menig keer bijna onze enkels in de kuilen die hij te pas en te onpas groef en dweilden menig plasje in huis op. Meneer werd ouder, bleek best pienter alleen niet op de momenten dat het ons uitkwam en wat liepen we veel met hem. Hij perfectioneerde zijn springen, groeide tot ruim 25 kilo en blijkt inmiddels een grote allemansvriend. Klinkt gezellig, maar in de praktijk betekent deze gezelligheid dat hij het liefst elk mens en elk dier onderweg zou begroeten en dan alsof we allemaal hondjes zijn. Zo speelt hij overigens ook nog steeds het liefst met de kinderen: alsof het hondjes zijn. Onze dochters zijn allang gewend dat hij ze soms speels in de billen hapt en noemen hem liefkozend ‘gekke jongen’. Maandenlang zochten we naar een manier hem uit het eendenhok te krijgen waar hij het liefst al het voer opat. Ik kan u vertellen; dat is gelukt. Meneer heeft namelijk zijn zinnen verzet en springt nu het liefst de tuin uit waar hij feest viert in het grote weiland achter ons. Hij jaagt er ganzen op, denkt dat hij reeën de baas kan of waaiert uit naar de boerderij tot hij daar gespot wordt en het buurmeisje hem weer thuis brengt. We hebben al zoveel bereikt dit jaar: hij komt als een malle bij ‘kom voor’, doet een Duitse draai feilloos en glijdt zelfs zonder schroom achter de kinderen aan van de glijbaan. Maar het is dus wél een kind erbij. En zoals dat met kinderen gaat, bedekken we veel met de mantel der liefde. Dus ja, is hij echt zo lastig? Zo druk? En zo energiek? Ik noem het liever enthousiast en blij van aard.