Maria’s Mooie Mensen 444

Oudste dochterlief is over het algemeen een open boek. Haar gezicht spreekt boekdelen en haar tred verraadt hoe haar dag verloopt. Als ze uit school komt in zichzelf gekeerd en zonder huppeltje in haar pas, weet ik wel hoe laat het is. Gefronste wenkbrauwen, donkere ogen; die heeft wat op haar lever. Haar zusjes zijn wel hartstikke monter en regelen een speelafspraak, dus het duurt even voor eruit komt, wat er speelt. We rijden haar zusjes naar een jongeheer die het aandurft de middag met ze door te brengen, halen samen de hond op die nog op kantoor in zijn mandje ligt en vertrekken dan naar huis. Als ik voor haar een glas ranja inschenk, stromen er opeens tranen over haar gezicht. ‘Mama’, begint ze, ‘papa en jij zijn niet de enige die ooit op de gang hebben gestaan.’ Het kost even moeite, maar uiteindelijk komt dan toch datgene wat haar zo dwars zat eruit. Wat blijkt; in de klas was er iemand die de juf liep te sarren door overal door heen te neuriën. Het kan gezellig zijn, zo’n vrolijk deuntje op de achtergrond, maar juf vond dit niet zo handig bij het maken van een toets. Er werd gevraagd wie het deed, het bleef opeens angstaanjagend stil en juf liet duidelijk weten dat bij een vervolg de gang zou wachten. Iedereen ging weer ijverig aan zijn toets. Het eerder geneuriede deuntje bleek echter hardnekkig, echt een zogenaamde ‘oorwurm’. En voor ze het wist, neuriede dochterlief het deuntje lekker verder. Ai, ai, dat schoot juf verkeerd. Gelukkig blijkt dan dat we onze kinderen heel redelijk opvoeden, want dochterlief hield zich niet stil, gaf eerlijk aan dat zij dít keer had geneuried en zei zelfs ‘sorry juf’. En, vertelde ze ook snikkend thuis nog drie keer, die éérste keer was zij het echt niet. Voor juf was de maat wel vol en ze kon naar de gang vertrekken. Samen concludeerden we thuis dat juf wellicht ietwat kort door de bocht ging – had ze ook gelijk weer een nieuwe uitdrukking geleerd. ‘Ik kan er gewoon niets aan doen’, bracht ze wanhopig uit, ‘ik hou gewoon zo van zingen en neuriën. En ik was toch gewoon eerlijk?’ Het deed me denken aan mijn eigen kleutertijd waarin ik ook soms iets te eerlijk was. Zo kon ik naar de gang vertrekken toen ik ooit open vertelde dat ik de Rodermarktwagen waar ik op had gezeten zo lelijk vond. En kon ik daar nog eens naartoe vertrekken toen een klasgenootje netjes aan me vroeg of hij naast me mocht zitten en ik geen ‘ja’ maar ‘nee’ antwoordde. Welke les mijn dochter hieruit moet trekken, is dezelfde die ik inmiddels ook ken: het leven is niet altijd eerlijk. Maar zelf eerlijk zijn, daar is niks mis mee. Opgroeien is vallen en opstaan. Ik besloot samen met haar: beter op de gang voor iets wat eigenlijk niet erg is, dan terecht op de gang staan. ‘Als je juf had uitgescholden, was mama niet zo blij geweest’. En toen kon ze weer lachen.