Maria’s Mooie Mensen 453

    Op de fiets naar school gaan, wordt nogal gepromoot. Onze kinderen zijn vrij gevoelig voor een sterk staaltje marketing (lees: ze roepen bij elke reclame ‘die wil ik’). Al in de kleuterklas maakte lichte paniek zich meester van oudste dochterlief toen er een poster was opgehangen waarop geturfd werd wie er met de fiets naar school kwam (ongeveer 80% van de klas), wie lopend (ongeveer 10%) en wie met de auto (daar prijkten wij dus). Op de fiets naar school gaan, zo vertelt ze me al jaren, is het állerbeste. Nou wonen wij niet naast de school. We wonen zelfs niet eens in hetzelfde dorp. De rit naar school is goed te doen op de fiets, maar als je een moeder hebt die niet van fietsen houdt en twee jongere zusjes van dezelfde leeftijd, kun je het wel vergeten. De bakfiets deed ooit zijn intrede in ons leven om er na een paar weinig succesvolle ritjes en nachtmerries weer snel uit te verdwijnen. Ik legde me er zonder problemen bij neer dat fietsen niet ons ding was, maar bij oudste dochterlief bleef het knagen. Het ritje naar school werd een soort heilige graal die haar hele leven beter zou maken. Helaas voor haar durf ik niet met één van haar zusjes achterop te fietsen en is fietsen met ze allebei op een eigen fiets alleen weggelegd voor mensen met stalen zenuwen – en die heb ik niet. Afgelopen week had ze geluk: de jongste dames bleven thuis met manlief en met zijn tweeën konden we eindelijk de auto laten staan. Meer dan enthousiast reed ze weg: ‘eerder moest jij op mij wachten mama, nu wacht ik steeds op jou’, tetterde ze blij achterom. Halverwege zag ze het al wat minder rooskleurig in en concludeerde ze dat het ‘toch wel ver’ was. Iets verder vroeg ze voor het eerst of we er bijna waren. Toen de school in zicht begon te komen, nam de trots de overhand. Ze trapte stevig  door en parkeerde glimmend en centimeters gegroeid haar stalen ros in het rek. Voor mij wachtte de weg terug, dit keer alleen. Ik trapte opnieuw een dikke 15 minuten door het bos en met de wind dit keer in het gezicht – wat is dat toch met die tegenwind? – nu alleen. Ik deed er een aantal wijze lessen op, waarvan de belangrijkste is dat fietsen in de hooikoortsperiode niet de meest geslaagde actie is. Het leverde een fikse niesbui op bij het afstappen waardoor manlief me in elk geval wel hoorde aankomen en zowaar de deur voor me openzwaaide. Het föhnen van mijn haar blijkt totaal overbodig op zo’n fietsdag, extra deodorant is heel geslaagd. Verder: in het bos afdwalen in je gedachten is niet handig, want ik kan uit ervaring vertellen dat je dan gemakkelijk de goede afslag voorbij fietst. De extra meters die ik maakte, zijn in elk geval goed voor de lijn. De belangrijkste les leerde ik toen ik dochterlief weer ophaalde: let goed op de fietssleutel. Want oh ja, wáár had ze die toch ook alweer opgeborgen?