Maurits Valk overleefde concentratiekampen

‘Littekens kun je niet wegwassen, toch kan de dag van morgen je iets leuks brengen’

RODEN – Hoewel hij zich niet bewust iets kan herinneren van die tijd, heeft de Tweede Wereldoorlog bij hem wel degelijk zijn sporen nagelaten. ‘In kamp Vught had ik aanvallen van kinderverlamming en kreeg ik tuberculose. Ik lag daarom veel in het donker in de ziekenbarak en was ik veel alleen omdat mensen niet bij mij mochten komen. Praten en met mensen omgaan was mij dus niet geleerd.’ Dit vertelt Maurits Valk, die het belangrijk vindt dat het verhaal verteld blijft worden. Hij schreef er zelfs een boekje over: ‘Concentratiekampen overleefd, littekens kun je niet wegwassen.’

Maurits Valk, geboren in 1941, is een oorlogskind. De geboren Groninger werd als jochie van nog geen 2 jaar samen met z’n ouders en z’n zes oudere broers en zussen gedeporteerd naar Vught. Hij kan zich van die tijd eigenlijk niets herinneren. Z’n vader en z’n twee oudste broers daarentegen wel. Z’n vader, die na de oorlog veel last had van zenuwpijnen en moest bewijzen dat deze pijnen te maken hadden met trauma, moest z’n verhaal opschrijven. Ook zijn broers, beiden kwamen terecht in een psychiatrische instelling, moesten voor verwerking van zich afschrijven. Valk, die gevraagd was om lezingen te geven, verzamelde de verhalen van zijn vader en broers en ging ermee naar verschillende scholen. Niet wetend dat het geven van deze lezingen voor hem ook een therapeutische werking had.

Van Vught moest het gezin naar Westerbork. ‘We werden gestraft omdat m’n ouders meer dan drie kinderen hadden.’ Het was een straf, maar uiteindelijk ook een behoud. Want van de kindertransporten van Vught naar Auschwitz keerde niemand meer terug. ‘Als we niet in Westerbork waren geweest, waren wij met dezelfde trein afgevoerd.’

Kamp Vught was in Nederland het ergste wat je kon overkomen. Valk liet zich bijvoorbeeld vertellen dat jonge kinderen van kranten en elastiek een balletje maakten. Als het speelballetje op het gras terecht kwam en het kind dit wilde pakken, werd er geschoten. Op het gras stond een bord met een doodskop, maar hoe moesten kinderen weten dat ze dit niet mochten betreden.

Van z’n zus leerde Valk later het lied dat werd gezongen als ze als kinderen door het kamp moesten marcheren. Kinderen, zoals kinderen zijn, treuzelden te lang als ze op appèl moesten komen. Het te laat komen werd afgestraft met steeds opnieuw marcheren. Het lied verbond en zorgde ervoor dat iedereen op de been bleef. Het zorgt voor een indrukwekkend tafereeltje als Valk het lied met emotie nog eens ten gehore brengt.

‘Wat betreft die soep in het lied? Die was heel vies, want er zaten aardappelschillen in én kamfer.’ Valk vertelt verder dat er toch soms mannen waren die voor een 2e keer in de rij gingen staan. Soms werd er iemand verraden door nota bene de Joodse ordedienst. Nadat hij was opgepakt zag je een dergelijke durfal in elk geval nooit weer terug …

In september 1944 werd het gezin Valk vanuit Westerbork naar een doorgangskamp in Tsjechoslowakije gestuurd alvorens ze op 8 mei 1945 door de Russen werden bevrijd. Vanwege besmetting konden ze pas na anderhalve maand terugkeren.

Valk herinnert zich van zijn jeugdjaren na de oorlog dat hij leefde, maar ook weer niet. Hij voelde zich geamputeerd, had moeite met sociale contacten en kon zich slecht concentreren. Hij ging aan het werk als huisschilder wat hem niet beviel. De overstap naar een grafisch bedrijf leek hem op de been te houden. Pas eind jaren ’80, hij was toen al in de 40, zakte hij in elkaar. Valk kwam in contact met de stichting ’40-’45. Het werd al gauw duidelijk, de oorlog had ook bij hem grote littekens achtergelaten. Daarbij was Valk ook nog eens geconfronteerd met het overlijden van z’n echtgenote, hem achterlatend met drie jonge kinderen.

Levend met een trauma zien we toch een sterk en opgewekte man. ‘Dat ben ik altijd geweest. Ik heb er op m’n 15e echt voor gestaan om er een einde aan te maken, maar ik heb ook altijd gedacht: ‘Er komt wel een andere tijd.’ Hij ziet z’n opgewekte karakter als zijn redding net zoals het geven van lezingen hem zo goed heeft gedaan. ‘Het delen en blijven vertellen is goed geweest, dat had ik eigenlijk eerder moeten doen.’ De kinderen op school hingen aan z’n lippen. Vertellen, maar er ook over schrijven. Trots is hij dan ook op z’n boekje waar hij vijf jaar over gedaan heeft. Een indrukwekkende foto op de eerste bladzijde is de foto van de kinderen Valk, met baby Maurits op de arm van een van z’n broers, vlak voordat ze werden afgevoerd. De titel spreekt voor zich. Littekens kun je niet wegwassen, het zijn beschadigingen die nooit weggaan. Je kunt ze niet verwerken, alleen maar overleven. Littekens die generatie op generatie kunnen worden doorgegeven.

Overleven deed Valk ook door te gaan schilderen. Het was z’n psychiater die hem adviseerde niet achter de geraniums te gaan zitten. ‘Ga dansen, ga schilderen’, waren zijn woorden. Valk volgde zijn adviezen op en maakte inmiddels bijna 400 schilderijen. Ook in de denksport en met z’n benen, zij het met wandelstok, is hij actief.

Lezingen geeft hij niet meer, maar is hij wel als vrijwilliger voor het Joodse Schooltje in Leek op de been. Het voormalig schoolgebouw voor Joden functioneert vanaf 1995 als museum en gedenkplaats. In 1995 werd het afgebroken en 50 meter verder weer opgebouwd en in oude stijl hersteld. Elke dinsdagmiddag en op donderdag om de week is Valk daar te vinden. ‘Want de verhalen moeten blijven verteld.’

VERBINDINGSLIED

We zitten hier in Vught

In een heel klein gehucht

We eten niet anders dan kool, soep en kuch

De dames die houden hier altijd appèl

Er komt nooit een eind aan

Dat eeuwig getel

Heja daar komt ze met haar fluitje weer aan

Vlug moeten wij in een rijtje gaan staan

En als wij niet stil staan

Dan roept zij heel boos

Dan roept zij Donnerwetter

Was ist hier los