‘Met Kerstmis doen we niets. Helemaal niks. Nada.’

(Een ongewoon en wat somber kerstverhaal met tóch een happy end….)

Toen hij de dag vóór kerst wat warrig wakker werd, was hij er meteen van overtuigd dat het vervelende dagen zouden worden. Twee lange dagen kerst. Moeizaam hees hij zich uit bed. Hij had onrustig, zeg maar gewoon slecht geslapen. Híj zorgvuldig op zijn eigen bedhelft, zíj nóg nauwkeuriger op de hare. Zonder elkaar ook maar miniem aan te raken. Maar daar ging het hem niet om. Zo ging het al een tijd. De koek was op. Dat zijn vrouw al een uur eerder zwijgend was opgestaan en wat later even zwijgend de deur uitging, omdat ze, werkzaam in de verzorging, deze dag een dubbele dienst moest draaien, had hem ook niet geïrriteerd. Maar dat ze als compensatie daarvoor beide kerstdagen vrij zou zijn, stak hem veel meer. Twee lange dagen. En nogmaals: wat hadden ze elkaar nou nog te zeggen? De koek was immers op. Zonder ook maar één kruimel op het huwelijksbord achter te laten, dacht hij verbitterd. Twee dagen, lange dagen, alleen met hun tweeën. Hij rilde bij het vooruitzicht..

Beide kinderen waren al een tijdje het huis uit. Dochter studeerde rechten en wilde de kerstdagen romantisch met haar vriend in Barcelona doorbrengen. Effe d’r uit, ja toch? En zoon ‘vierde’ een sabattical in Australië voordat hij zich opnieuw in het studieleven zou gaan storten. Economische geografie of iets in die geest, dat leek hem wel wat, had ie wat vrijblijverig gezegd. Maar nu eerst als vrijgezel genieten, ja toch?

Op het werk, waar hij na een homp brood en een glas koude melk als ontbijt te hebben genuttigd naar toe fietste, was het ook niet botertje aan de boom. Er heerste een sombere stemming, identiek aan de donkere dag. Het sneeuwde weliswaar niet maar het was verrekte koud. ‘Heel effe opwarmen, mensen’ had de chef – een etter van een vent overigens, slijmen naar boven en trappen naar onderen, je kent dat wel – voor zijn doel uitnodigend gezegd. ‘Maar daarna meteen aan de slag. D’r valt veel te doen vandaag, want we moeten de beide kerstdagen als ’t ware in ’t voren inhalen. En o ja, de Grote Baas komt straks ook even langs. Met – grijnsde de chef nou sardonisch of niet?, vroeg hij zich af – denk ik een kerstboodschap.’ Hij ging zwijgend aan de slag; contact met zijn collega’s had ie amper, hooguit dat hij af en toe, als zij niet keek, naar de jonge stagiaire loerde. Maar dat was, besefte hij maar al te goed, geen spekkie voor zijn bekkie. Meer.

Midden op de ochtend werd het werk voor even stilgelegd voor de bijeenkomst in de kantine. Het was er roezemoezerig maar toch bedrukt, want de Grote Baas, die kwam eigenlijk nooit bij het voetvolk. Wat zou hij te vertellen hebben? Aan dat ongemakkelijke gevoel konden de gedraaide kerstmuziek, de koffie klaar en, jawel!, de banketstaaf die iedereen door de kantinejuf in de handen gedrukt kreeg, niets aan veranderen. ‘Nou nou,’ dacht ie sarcastisch, ‘het kan niet op.’ Toen na vijf minuten de Grote Baas minzaam knikkend binnen stapte, werd het meteen stil. Wat bekakt sprekend – of is dat van mij maar vooringenomen standpunt?, vroeg hij zichzelf af – ging deze in op het bijna afgelopen jaar, waarbij hij de negatieve effecten van de recessie voor het bedrijf ‘kundig’ tot de climax opvoerde. ‘Er zullen, hoe dan ook, de komende tijd ontslagen vallen. Zonder aanziens des persoons,’benadrukte hij. ‘U hoort er na de jaarwisseling wel meer over. Maar nu eerst aan de slag, ik reken op uw aller inzet. En verder wens ik u prettige kerstdagen.’ Waarna de Big Boss schielijk verdween.

Het rumoer in de kantine zwol daarna aan. Er vielen krachttermen en vloeken. ‘Laat ze die oudbakken banketstaaf maar in hun reet stoppen,’ werd er geschreeuwd. ‘Het werk wacht, mensen. En wie nú sabotteert valt als eerste straks af,’ liet de chef zijn autoriteit gelden. De toch al niet florissante stemming werd er de daarop volgende uren niet beter op. Zélfs de quasi-opgewekte mededeling van de chef, dat de Grote Baas had besloten dat het werk een uur eerder mocht worden gestopt, werd mopperend aangehoord. ‘Opdat iedereen met een goed gevoel de kerst in kan gaan, ik herhaal de woorden van de directeur hier op zijn uitdrukkelijke wens,’ had de chef er met gedragen stem aan toegevoegd.

Een uur eerder dan normaal stapte hij op zijn fiets. Het was nog steeds bar koud en het begon ook een beetje te sneeuwen. Zijn stemming werd er dan ook niet beter op. Thuisgekomen viel hem de letterlijk en figuurlijke kilheid op. Geen kerstboompje, geen ballen, geen enkele versiering die op het komende kerstfeest wees. Daarom draaide hij de verwarming wat graden hoger en nam hij, om nog sneller warm te worden, een borrel. En daarna nóg eentje. Waarna hij de fles zorgvuldig opborg want hij kende zijn taks. Ach, dacht hij wat opgekikter, wat kan het me ook schelen. Al die kale kilheid hier, ik koop toch nog snel even een kerstboompje, gewoon om wat te doen te hebben. Mijn vrouw komt toch nog lang niet thuis…….

Opnieuw ging hij de kou in, naar de markt waar de handel in kerstbomen op zijn eind liep en hij voor een habbekrats een aardig boompje op de kop tikte. Niet te groot en makkelijk te versieren, constateerde hij met ‘kennersoog’. Thuis haalde hij de al jaren niet meer gebruikte kerstversiering van de zolder. In het optuigen kreeg hij zelfs aardigheid. De tijd vloog om. Hij warmde in de magnetron een snelklaarmaaltijd op. En hij nam nog een borreltje tegen de eenzaamheid. Net voor hij toch maar naar bed wilde gaan – met zijn vrouw zou het nog wel even duren – ging de telefoon: Zijn zoon – ‘Alles kits, pa? Ik heb ma op haar werk ook al gebeld hoor’- belde uit Australië. En, hoe bestaat het, zijn dochter even later uit Barcelona. ‘We hebben het hier heerlijk naar de zin pap. En mam hebben we op haar werk ook al gebeld. Fijne kerstdagen met jullie tweeën, hoor.’

Gek eigenlijk, dacht hij bij zichzelf, dat ik ondanks alles en ook ondanks een onzekere toekomst toch redelijk gelukkig ben. Count your blessings, zogezegd. Hij tuimelde bijna in bed en viel in een droomloze diepe slaap. Op zijn eigen helft. Zelfs zijn vrouw had hij niet horen thuiskomen toen hij op kerstochtend wakker werd door een koortje van het Leger des Heils, dat op de hoek van de straat in al die bittere kou ‘Stillige nacht, heilige nacht’, zong. Hij stootte in een reflex zijn vrouw aan, die ook uit haar diepe slaap ontwaakte en kwam daarop op háár helft. ‘Hoor eens….’fluisterde hij, ‘ontroerend mooi hè.’ Ze draaide zich naar hem toe, op zijn helft zelfs. ‘Ja, echt. Ontroerend. Laten we proberen er wat van te maken,’was haar eveneens gefluisterde antwoord. Op dat moment zette het zangkoor buiten in de kou een tweede kerstzang in. ‘Nu zijt wellekome.’ Allebei moesten ze gelijktijdig lachen ‘’t Is een mooi boompje, hoor,’zei zijn vrouw terwijl ze zich dichter tegen hem aanvlijde. En zo krijgt dit kerstverhaal toch een happy end…..

Henk Hendriks