Mysterie

colum-cees-mysterie

”Voor vragen over de natuur kun je altijd terecht bij die meneer die er stukjes over schrijft in de Krant”. Dat moet Gerda Ensing, Kaapdiep in Leek, hebben gedacht toen ze mij belde over een mysterie. Want hoe is het toch mogelijk dat die prachtige afrikaantjes (Tagetes) van haar, die nota bene in een pot op een rekje met wieltjes staan, om de haverklap ’s nachts worden bezocht door slakken. Huisjesslakken welteverstaan, want ’s morgens zaten ze er nog op.

Via de telefoon werd een schier onmogelijke situatie geschetst. In de naaste omgeving van de pot op wieltjes was overdag geen slak te bekennen; waar hij zich verborgen hield of dat zou kunnen doen. De enige mogelijkheid die overbleef was dat ze vanuit de tuin over een afstand van 3 meter over het terras kwamen aangekropen, maar die optie leek niet echt plausibel. Want hoe lang doet een huisjesslak er over om zo’n afstand te overbruggen? Ik hield Gerda voor dat slakken een zeer sterke tast- en geurzin hebben en voor een lekker hapje best wel een kort reisje over hebben. Zo’n zintuig is namelijk een gespecialiseerd orgaansysteem dat een organisme in staat stelt tot perceptie van bepaalde voor het zintuig specifieke stimuli. Of eenvoudig gezegd: Het is een orgaan dat een dier (of mens) de mogelijkheid geeft een bepaald gedeelte van de werkelijkheid waar te nemen. Zo staat het althans ongeveer in de literatuur omschreven. Dat doen ze niet met de ogen op steeltjes (tentakels) die je ziet, maar met een kleiner gepaard zintuiglijk orgaan net onder de ogen, de zogenaamde tasters. Deze bevatten receptoren (zeg maar ontvangers) die onder andere geuren analyseren om zo de omgeving waar te nemen. Dus ook die van de afrikaantjes in de pot op het terras. De geur daarvan is onmiskenbaar en voor slakken moet het zo onweerstaanbaar zijn dat ze eropaf komen om er van te snoepen.

Via de telefoon is dat een ietwat moeilijk verhaal en dus toog ik afgelopen zaterdagmiddag naar Leek en trof een situatie aan die Gerda (rechts op de foto) al goed had beschreven. En dan zul je het net beleven dat toevallig die ochtend er geen slakken meer op de afrikaantjes zaten. Wel zat een nog jonge Segrijnslak dichtbij tussen de tegels van het terras. Qua beschrijving van eerder en het uiterlijk van dit jonge slakje moest dit wel de soort zijn die verantwoordelijk was voor de vraat aan die mooie afrikaantjes. Een dag eerder zaten er nog wel slakken op de planten en een keer maar liefst zes stuks. Die werden dan verzameld en met zwier over de sloot in het veld er achter gegooid zodat ze niet meer terug konden komen, want door het water komen ze niet. Al die slakken moesten volgens mij dan ook inderdaad uit de tuin zijn gekomen, misschien wel uit een buxushaagje dat daar als afscheiding tussen het terras en gazon stond. Bovenbuurvrouw Willy Edens (links) werd er ook nog even bij geroepen en zij bevestigde het verhaal, want elke keer dat die dekselse slakken op de planten zaten kwam ze er naar kijken.

Ik hield beide dames voor dat volgens mij het ergste leed wel was geleden en dat de afrikaantjes verder vrij onbekommerd weer konden gaan bloeien. Toch werd er nog wat nagemokt, want de pot naast de pot met wieltjes werd nooit bezocht. Volgens mij doordat er enkele potten boven elkaar waren geplaatst met omgekrulde randen. ”Maar hoe kropen ze dan via de wieltjes en het rekje naar boven” was de vraag. Soms moet je echter het antwoord schuldig blijven, hoewel ik weet dat slakken best over atletische vermogens beschikken. Mijn suggestie dat ze misschien een aanloopje namen en met een sprongetje in de pot belandden werd echter niet geloofd. Er werd nog wat nagepraat en Willy vertelde dat ze een keer in Hongkong was en daar te maken kreeg met een zwerm mieren. Dat is net als met bijen wist ik, het zijn de nieuwe koninginnen die met de mannetjes het nest verlaten en hoog in de lucht worden bevrucht. Willy is een boerendochter en vertelde nog dat haar vader (ook imker) vroeger bij het ontdekken van een zwerm bijen er een hemd bij hing en zo dat volkje claimde. Dat was toen de gewoonte. Beide dames zijn nog erg vitaal en Willy fietst dagelijks twee uur, onder andere routes van dik twintig km via bijvoorbeeld Roderwolde. Zij is nog maar 82. Gerda (slechts 3 jaar ouder) kan als gevolg van een ongeluk helaas niet mee met die tochtjes, maar rijdt gelukkig nog wel auto.