Na de derde week concludeerden we: ze doen hun best niet

Sanne_Frieling-2015-01

Sanne_Frieling-2015-02Sanne_Frieling-2015-03Verloskundige Sanne Frieling over haar werkbezoek in Oeganda

NOORDENVELD – Nog een beetje beduusd zit ze aan de vergadertafel op de redactie van De Krant. “Alsof ik naar de maan ben geweest”, verzucht ze. Een dag of tien nu, is verloskundige Sanne Frieling terug uit Afrika. Samen met vriendin en collega Henriëtte van Wijk vertrok ze eind november naar Oeganda om te helpen bij bevallingen in een ziekenhuis in Kumi. In de hoop haar steentje bij te dragen. Haar kennis over te brengen. Het verschil te kunnen maken. ‘Was het mooi’?’, was allereerste, tamelijk korte vraag zie opkwam na het weerzien van Sanne. “Nou nee”, luidde haar nog kortere antwoord.

Vol ambitie en werklust vertrokken Sanne naar het Oost-Afrikaanse Oeganda. Koffers vol kraampakketten, luiers en andere handige medische spullen had ze per vliegtuig vooruit laten sturen. Naar alle waarschijnlijkheid was het ziekenhuis in Kumi niet van dat soort westerse gemakken voorzien. Gewoon, vooruitziende blik. Dat de verschillen zó groot zouden zijn, had ze echter nooit verwacht. “Dat de meest eenvoudige, relatief goedkope medische hulpmiddelen er gewoon niet zijn, verbaasde me. En dat de toch over het algemeen goed opgeleide artsen dat ook nog accepteren, verbaast me misschien nog wel het allermeest”, vertelt ze met een soort zwaarmoedigheid in haar stem. Niets van de opgetogen, sprankelende Sanne van vóór de reis is terug te vinden in haar gezicht. Eerder maakt ze een wat vermoeide, weemoedige indruk. Ze had zoveel willen doen. Bevallingen, hulpeloze baby’s redden. Moeders een hart onder de riem steken. Voorlichten. Eenvoudige handigheidjes bijbrengen die ze kunnen toepassen tijdens hun kraamperiode.

“Ik wist dat het erg was, dat verloskunde daar in niets lijkt op de westerse wereld. Maar dat ze in Afrika zó achterlopen, kwam voor mij als een totale verrassing. Een eenvoudige slijmzuiger, een apparaatje dat je gebruikt om de luchtwegen vrij te maken wanneer een baby in het vruchtwater z’n eigen poep heeft ingeslikt, is er bijvoorbeeld helemaal niet. Zo’n kindje is dus niet te redden”, vertelt Sanne die in Kumi 2 bevallingen heeft gedaan en 3 baby’s heeft gereanimeerd. In haar hele 18 jarige carrière als verloskundige heeft ze 4 baby’s moeten beademen, alle 4 met succes. Van de 3 gereanimeerde baby’s in Kumi overleefde slechts 1 het. Om maar even het verschil aan te geven. Eentje stierf omdat de moeder simpelweg al dagen aan het bevallen was. De baby had het veel te lang al benauwd gehad in de baarmoeder. Een andere baby werd door een verpleegkundige zó slecht beademd, dat Sanne haar wegduwde in een poging het kind alsnog te redden. Helaas, ze zag het te laat. “Ik liep even naar een andere plek om iets te regelen. Tot ik een mijn ooghoek zag wat er gebeurde. Geen idee wat ze precies aan het doen was, maar deskundig zag het er niet uit. Ze beademde veel te laag. Het is echt bizar wat daar gebeurt. Ze proberen de baby weer aan de gang te krijgen en leggen het daarna gewoon weg. In de hoop dat –ie vanzelf iets gaat doen. Survival of de fittest, dat is het daar.”

Helemaal perplex stond Sanne van het feit dat er werkelijk niemand is die verantwoordelijkheid neemt. Dat er een dokter rondloopt die een baby nóg maar wat antibiotica toedient terwijl er gewoon eten in moet omdat het kind zwaar ondervoed is. “Kunstvoeding is niet aanwezig in het Kumi-ziekenhuis. Baby’s kunnen alleen borstvoeding krijgen. Maar of een baby goed drinkt houdt niemand in de gaten. Plasluiers worden niet gecontroleerd. Dat kan ook niet, want luiers zijn er niet eens. Baby’s liggen in dunne katoenen doeken. Ze gaan dood aan onderkoeling en ondervoeding. En dat in een ziekenhuis hè? Echt bizar. Ook zo iets: moet er een kind beademd worden. Graai ik in een bak met 6 ballonen waarvan 4 het niet doen. Slechts 2 functioneerden. Dus ik haal die 4 beademingsballonnen eruit en stop ze onderin een kastje. Ligt de boel tot mijn grote verbazing de volgende dag gewoon weer door elkaar. Dat bedenk je toch niet? Een ander voorbeeld: de couveuse. Een best moderne ook nog stond er. Werd niet gebruikt. Bleek het stekkerblok gewoon stuk te zijn. Niemand doet er iets aan. Ook de hoofdarts niet. En dat artsen, die hoog opgeleid zijn, accepteren dat ze niet beschikken over materiaal waarmee ze het verschil kunnen maken, daar snap ik niets van. Dat soort dingen hebben wij gerepareerd. Het heeft in ieder geval onze aanvankelijke indruk behoorlijk veranderd. De eerste week zeiden we tegen elkaar: ‘ze doen hun best’. De tweede week: ‘doen ze nou hun best?’ en de derde week concludeerden we: ‘ze doen hun best niet’. Het lijkt erop dat de overlevingsmodus daar de hele creativiteit heeft aangetast”, denkt de verloskundige uit Lieveren die het Afrikaanse ziekenhuis deed denken aan een grote koeienstal. “Het is één grote zaal met lage muurtjes ertussen. Geen gordijntjes, geen privacy. Alleen de gootjes om het mest af te voeren ontbraken nog. In de bevalkamer, een hokje van hooguit 2.5 bij 3 meter, stonden 3 zwarte massagetafels met douchegordijntjes als afscheiding. Als je iemand staat te helpen, stond met je billen tegen een klef gordijntje aan. Het rook er wel royaal naar Dettol. Dat dan weer wel.”

Hoewel er zeker wel wat succesjes zijn geboekt met de trip naar Kumi, hadden Sanne en Henriette gehoopt grotere verschillen te kunnen maken. “Individueel hebben we zeker verschillen kunnen maken. Hebben we verpleegkundigen geleerd dat je kleine colaflesjes kunt gebruiken als kruik. Simpele dingen en gemakkelijk toe te passen. We hebben ze geleerd om te kolven. Ze hadden nog nooit een handkolf gezien. Iedereen kwam er om toestaan toen we het voordeden. We hebben ook veel rekeningetjes betaald. Want geen geld betekent gewoon dat je het hospitaal niet uitkomt,” vertelt Sanne terwijl ze zich een bizar voorval herinnert. “Op één van de bedden lag een 16-jarig meisje met twee katheters aan haar lijf. Haarkeizersnede was mislukt, de baby was dood en haar blaas was stuk. Ze mocht niet weg omdat ze geen geld had om de rekening te betalen. Ze moest wachten tot haar vader een stuk land verkocht had. Omgerekend 100 euro, daar praten we over. We hebben het voor haar betaald. Verder hebben we geld gereserveerd voor 3 jonge studenten waarvan we denken dat ze het in zich hebben om een goede arts te kunnen worden. Waarom we dat dachten? We zagen een twinkeling in hun ogen, de wil om er iets van te maken, dát. Met dat geld gaan we hun opleiding betalen. Of we binnenkort nog een keer gaan? Voorlopig niet. Ik ben wel even genezen. Ik had graag een groter verschil gemaakt, had positiever willen zijn. Maar als je dat wilt bereiken, moet je er gaan wonen. En dan nog. De mentaliteit van Afrikanen is zó anders dan die van ons. Ja, misschien dat ik nog eens terug ga. Met mijn kinderen. Zodat zij met eigen ogen zien dat niets vanzelfsprekend is. Onderweg van Schiphol naar huis wilden ze naar de eerste de beste Mc. Donalds. Liever nog Lelystad dan Joure. Ze hadden honger. In Afrika hebben ze honger zeg ik dan, jullie niet. Daar kan ik me wel eens aan ergeren.”