Niet welkom

column-cees-pijlstaart

Eerst ging ik er vanuit dat het met goede bedoelingen was gebeurd, maar de ’indringer’ op de foto werd, toen hij een bijenkast bezocht, door ’het volk’ bepaald niet welkom geheten. Sterker, hij moest het met zijn leven bekopen. Op de keper beschouwt was de intentie van de snoodaard minder nobel en was hij op de zoete geur van honing afgekomen en van zins een greep in de provisiekast te doen. Daar hadden al die werksters niet keihard voor gewerkt en dus werd hij geëlimineerd.

Het was Arnold Pera uit Roderesch die met het beest bij mij aan de deur kwam met de vraag wat voor insect het kon zijn dat hij onderin een bijenkast had gevonden. Ik concludeerde direct dat het beslist een pijlstaart moest zijn. Dat zijn veelal fraai getekende nachtvlinders, waarvan sommige soorten een behoorlijke afmeting bereiken. Ontdaan van zijn natuurlijke kleuren was het niet eenvoudig te zeggen welke soort het was. Nader onderzoek leerde dat er slechts één is die daarvoor in aanmerking kwam, waarbij de lengte van de voorvleugel (meer dan 55 mm) maatgevend was, en dat is de Doodshoofdvlinder. De Winde- en Ligusterpijlstaart vielen af omdat 55 mm voor deze vlinders als maximummaat staat vermeld, terwijl deze vlinder toch duidelijk groter was. Daar kwamen andere kenmerken bij, onder andere het formaat van het achterlijf dat tamelijk breed is en de gele strepen op de onderkant van het achterlijf.

De Doodshoofdvlinder wordt zo genoemd vanwege een tekening op het borststuk dat lijkt op een doodshoofd. Het is een krachtige vlieger – na libellen (58 om 54 km/u) het snelst vliegende insect – dat voorkomt rondom de Middellands Zee, rond de evenaar in Afrika, in Zuid-Afrika en het Arabisch Schiereiland. In de zomer kan hij gaan trekken, met een piek in augustus, en zoekt dan koelere streken op tot aan Noord-Scandinavië en IJsland toe. Ook in Nederland wordt de vlinder dan sporadisch waargenomen. Imker Piet Kamstra uit Foxwolde verwees me naar informatie op de website van de Vlinderstichting en daar las ik dat hij als één van de weinige vlindersoorten gespecialiseerd is om bijennesten (en dus ook kasten en korven) binnen te dringen om daar honing te stelen. Hij komt er in natuurlijke omstandigheden (meestal) mee weg zonder door de bijen gedood te worden. Dit komt doordat de vlinder exact tussen twee raten past en de bijen daardoor niet in staat zijn de kwetsbare buik te bereiken. In bijenkasten is de ruimte tussen de raten groter en is de vlinder wel kwetsbaar.

Bij Arnold gebeurde dat en is de vlinder door de bijen doodgestoken. Piet wees me er nog op dat bijen propolis gebruiken, een lijmachtig botanisch product, dat ze maken van onder meer naaldbomen (hars) en kastanjes. Ze wenden het aan om kieren en ongewenste openingen in nesten te dichten, maar ook om indringers in te kapselen. Dat kan een slak zijn of zelfs een muis, maar in dit geval dus een Doodshoofdvlinder. Vandaar de bruinachtige kleur van de vlinder op de foto. Al in de Griekse oudheid werd propolis gebruikt om de geneeskrachtige werking. Het is een krachtig antibioticum met een bacterie- en schimmeldodende werking. Daar maken bijen dus slim gebruik van. Zowel Arnold als Piet wezen me erop dat bijen zo hun kast vrij houden van besmetting. Propolis is door de (bewezen) veelzijdige werking in meerdere samenstellingen (als crème, vitamine, medicijn etc.) verkrijgbaar bij winkels die gespecialiseerd zijn in natuurproducten.

Een bijzonderheid van de Doodshoofdvlinder is dat hij een piepend geluid kan maken. Dat doet hij om natuurlijke vijanden af te schrikken en omdat het lijkt op de geluiden die bijen maken worden ze, bij een inbraak, erdoor gerustgesteld. Deze piepende geluiden worden geproduceerd door lucht (met accordeonachtige monddelen) uit de mondholte te persen. Andere insecten, zoals bijvoorbeeld krekels, staan er ook om bekend dat ze geluid kunnen maken. Dat doen ze door vleugels of poten tegen elkaar te wrijven. De rups van de Doodshoofdvlinder kan trouwens ook (een klikkend) geluid maken en doet dat met zijn kaken. Een vervelende eigenschap is dat de rups gemeen kan bijten wanneer hij wordt opgepakt. De vlinder daarentegen kan dat niet en is volstrekt weerloos.