Noordenvelders: Anne Doornbos

Op Erica beleefde ‘rasdrent’ Anne Doornbos zijn jeugd, om na zijn dienstplicht een theologische opleiding in Kampen te volgen. ‘Voor beide partijen was het beter dat het niks werd’, blikt Anne jaren later terug. Na een carrière in het jeugd- en jongerenwerk en als ambtenaar in Heerenveen, tijdelijk in Zuidlaren en de gemeente Noordenveld, zit het werkzame leven er voor de Eener nu op. Van verveling is geen sprake. ‘Ik vernuver mij prima’, zegt de hoofdrolspeler van de honderdste aflevering van ‘Noordenvelders’.

Eindeloos kan Anne praten over één van zijn grootste fascinaties: taal, met het Drents in het bijzonder. Onder het genot van rollegies met een vleugje kaneel (waar later de gehele De Krant-redactie nog van zou smullen) vliegt de tijd. Over zijn tante en oom die naar Tasmanië emigreerden en bij terugkomst een wonderlijke mix van oud-Drents en Engels spraken. Over woorden die verdwijnen en later zomaar weer opduiken. En over een wereldtaal, die ‘we’ misschien over vijfhonderd jaar spreken. ‘Het zou me niet verbazen. Nee, Drents zal het niet zijn. Taal is aan verandering onderhevig en ieder jaar verdwijnen er talen. Dat wil echter niet zeggen dat je niet zuinig moet zijn op je taal.’

Vandaar ook dat Anne nog altijd schrijft in het Drents en – tot twee jaar terug – betrokken was bij het Huus van de Taol. ‘Het Nedersaksisch boeit mij. Net als taal in het algemeen.’ Waarschijnlijk begon die fascinatie al als jonge jongen. Als tweede in een gezin van vijf (twee broers en twee zussen), groeide Anne op in ‘een goed gereformeerd gezin’. ‘Niet orthodox, maar wel gereformeerd. We waren met 400 in Erica. Dan had je nog de hervormden en de rooms-katholieken. We zaten midden in de verzuiling. Wanneer je een brood ging kopen, kocht je die bij voorkeur bij een gereformeerde bakker. Als dat niet kon, ging je naar de hervormde bakker. En als dát niet kon, ging je naar de rooms-katholieke bakker.’

Anne wilde predikant worden, maar vond aan de theologische hoogeschool zijn draai niet. Dus wachtte de sociale academie in Groningen en ging hij het jeugd- en jongerenwerk in. Leuk werk, met allerlei verschillende jongeren. ‘Ik had er eens één bij die met de motor het clubgebouw van Angelslo binnenstoof. Later kwam ik hem nog eens tegen en sprak hij de woorden: ‘We waren vroeger een beetje vervelend hè?’

Hij werd directeur van een welzijnsstichting in Heerenveen. Hierna ging Anne aan de slag voor de gemeente Heerenveen. De wethouder nodigde hem uit en zijn toekomstige collega’s ook. ‘Ze zeiden tegen mij dat als ik solliciteerde, zij de postzegel zouden betalen’, glimlacht de Eener. ‘En toen ik de baan had, vond ik het leuker dan ik had gedacht. Het is bijzonder om dicht bij de lokale bevolking te staan en echt de samenleving en de mensen te leren kennen.’

Een poging om gemeentesecretaris te worden moest hij staken. Darmkanker. ‘Ze waren er op tijd bij, daar had ik geluk mee. De chirurg vertelde me dat ik geluk had met mijn huisarts. “Als je in het donker hoefgetrappel hoort, dan denk je dat het een paard is. Maar het kan net zo goed een zebra zijn, al is dat zeldzamer. Gelukkig vermoedde je huisarts dat het een zebra was”. Een schitterende vergelijking.’

In de voormalige gemeente Zuidlaren mocht Anne een paar jaar later invallen als gemeentesecretaris. Het beviel hem zo goed, dat hij in 1997 solliciteerde om gemeentesecretaris in de nieuwe gemeenten Tynaarlo en Noordenveld te worden. Beide gemeenten zagen het zitten, maar burgemeester Verkerk van Noordenveld was doortastender. Anne kwam in Lieveren terecht maar ontmoette op het gemeentehuis zijn huidige vrouw, Jeanet. Met haar ging hij in Een wonen, waar hij het nu al twintig jaar uitstekend naar zijn zin heeft. Met zijn schaapjes, kippen en Japanse trekker is hij altijd een boerenzoon gebleven.

Anne staat midden in de Eener samenleving. Het coronavirus maakte dat hij stappen heeft kunnen maken met de opvolger van ‘De Paddenvanger’, maar zorgt er ook voor dat zijn sociale leven ‘wat grijs’ wordt. ‘Een beetje zoals het weer de laatste dagen. Ik vind het allemaal veel te lang duren.’

Toch hoor je hem niet gauw klagen. ‘Ik heb dit jaar nog geluk gehad. Met een operatie die toch nog door kon gaan en de Koninklijke Onderscheiding. Ik ben een eenvoudige republikein, al heb ik niets hartstochtelijks tegen het koningshuis. Maar zo’n lintje is een blijk van waardering. Al hecht ik nog steeds meer waarde aan mijn twee Elfstedenkruisjes. Daar ben ik heel trots op.’