Noordenvelders: Erik Kloosterman

Geboren en getogen Roner Erik Kloosterman is terug in zijn dorp. Toevallig op een steenworp afstand van zijn geliefde ONR. ‘Het lijkt alsof ik het erom doe, maar het is echt toeval’, beweert hij lachend. De voetbalgek pur sang traint sinds dit jaar ook nog eens de selectie van de club waar hij groot werd. Het coronavirus maakt er echter geen feestelijk seizoen van. ‘Voetballen zonder publiek is niks’, stelt hij in een gesprek over voetbal en zingeving, iets wat in zijn ogen onlosmakelijk met elkaar verbonden is.

Erik groeide op met voetbal. Bij ONR dus, waar ook zijn broer – inmiddels woonachtig in het westen des lands – voetbalde. Vader was en is er vrijwilliger. Toen Erik begon aan zijn studie sportmanagement, toog hij naar Groningen. Het leven in de stad beviel hem goed. ‘Vooral toen ik nog studeerde. Later, toen ik al veertig uur per week werkte, werd het anders. Ik woonde in de Gelkingestraat. Midden in de stad. Er was altijd lawaai. Op den duur is je ritme zo anders dan dat van de stad. Ik ben blij dat ik weer in Roden woon.’

Als kind raakte hij al verknocht aan voetbal. Weekenden spendeerde hij het liefst op het sportpark aan de Hullenweg. ‘Ik ging op school naar de Hoeksteen. Veel van mijn vriendjes op school voetbalden op zaterdag bij ONR, dus dan ga je daar automatisch ook heen. In die tijd was er nog een duidelijk verschil tussen VV Roden en ONR. Bij ONR speelde geloof op de achtergrond een rol, dat is door de jaren heen veel minder geworden. Leden kunnen goed met elkaar over weg er is geen strijd ofzo. Het is nu niet meer te vergelijken met vroeger, al is het nooit haat en nijd geweest. Maar er was wel een duidelijk verschil.’ In de toekomst, zo meent Erik, zit er misschien zelfs een structurele samenwerking in. ‘Al moet ik oppassen met zulke teksten’, lacht hij. ‘Want dat is nu nog heel ver weg.’

Een groot voetbaltalent was Erik niet. ‘Ik heb nog een keer voor het eerste gespeeld, maar dat was bij gebrek aan beter.’ Nee, laat hem maar training geven. Dat doet hij al vanaf zijn zestiende. ‘Ik heb het altijd prachtig gevonden. Eerst bij de jongste jeugd, later met steeds oudere jeugd.’ Hij volgde cursussen van de KNVB die hij stuk voor stuk ‘leerzaam en leuk’ noemt. Inmiddels is hij dus trainer van het eerste van ‘zijn ONR’. ‘Ik ben blij met de kansen die ONR mij altijd gegeven heeft’, zegt hij. ‘Ik kon mijn stage doorlopen bij de club, heb er alles meegemaakt. En nu ben ik dus hoofdtrainer. Ik vind het prachtig.’

Met zijn 29 jaar is Erik een jonkie in het trainersvak. Bovendien kent hij de spelers van zijn selectie al geruime tijd. ‘Ik heb ook op persoonlijk vlak goed contact met de jongens, maar uiteindelijk ben je wel hoofdtrainer. Het hoort erbij dat je soms spelers moet teleurstellen. Dat vind ik nog steeds niet makkelijk. Maar ja…’

In de periode voordat het voetbal stil kwam te liggen, werden wedstrijden zonder publiek gespeeld. De lol ging er voor Erik snel af. ‘Je voetbalt voor publiek. Dat merkte ik toen we uit bij Niekerk speelde, waar supporters zich in een shovel hadden verschanst om de wedstrijd te kunnen zien. Vierde klasse hebben we het over, maar het leeft wel!’

De Roner is er dan ook van overtuigd dat voetbal voor sommigen zingeving betekent. ‘Absoluut. Je club is veel meer dan die negentig minuten in het weekend. Het gaat veel verder dan dat.’

Hij ondervond het aan den lijve toen zijn moeder vorig jaar vrij plotseling overleed. ‘Dat was een moeilijke periode. Maar ook dan merk je dat je veel steun aan je club hebt. Ik merkte dat ook aan mijn vader, een Roner die het dorp bij wijze van spreken nooit uit is geweest. Juist door op de club te zijn, kon hij het verlies beter verwerken. Dat heeft iets moois.’

Over het ONR van de toekomst denkt Erik zeker na. Hoe gaat dat er straks uitzien als Roden-Zuid wordt herontwikkeld? ‘Tien jaar geleden werd er al over gesproken’, verzucht hij. ‘Doe iets of doe niets, zo sta ik er in. Nu krijgt KV Noordenveld een kunstgrasveld. Prachtig, ik gun het ze van harte. Maar als ik kijk naar hoeveel trainingen van ONR niet door kunnen gaan omdat het veld te slecht is…. Dan denk ik: waarom pakt de gemeente dat niet in één keer aan? Doe het samen. Soms vraag ik me af hoe belangrijk men de sport hier nu echt vindt. Als ik kijk hoelang het heeft moeten duren voordat de G-voetballers een kunstgrasveld kregen en hoe snel er nu opeens een kunstgrasveld kan worden aangelegd, dan heb ik daar mijn bedenkingen bij. Maar ik wil niet negatief overkomen hoor. Zo ben ik helemaal niet.’