Noordenvelders; Gea Overwijk

‘We gaan uitgerust op vakantie dit jaar’, concludeert Gea Overwijk, als het over het afgelasten van de Jaarbeurs gaat. Het voorplein van het Jaarbeurs vormt sinds jaar en dag het decor voor de zogeheten ‘Overwijk-bar’, de bar waar zij met haar Berend (en geregeld ondersteund door haar zoons) altijd de biertjes tapt tijdens de Rodermarkt. De Overwijk-bar is een begrip, in heel Roden bekend. ‘Tijdens de Rodermarkt kom je in een bepaald ritme, dan slaap je vaak niet meer dan twee of drie uurtjes per nacht. Na de Rodermarkt gaan we dan altijd vijf dagen op vakantie om even bij te komen. Het is voor het eerst in jaren dat we uitgerust die kant op gaan.’

 Om zeven uur op bed, om negen uur er weer staan. Voor zo’n arbeidsethiek kun je alleen je petje af zetten. Gea en Berend doen het al jaren. ‘We zijn op den duur gevraagd om op de Jaarbeurs te staan. Berend kwam uit de horeca hè, was al jarenlang kelner. Hij vroeg of ik ook mee wilde helpen. Dat wilde ik wel, maar dan op het voorplein. Ik ben astmatisch, zo’n drukke feesttent is niets voor mij.’

Het contact met de klanten maakt dat Gea het zo leuk vindt. ‘Ik krijg vaak te horen: hoe hou je het vol? Ja, dat is echt puur de adrenaline. Je zit in een bepaald ritme, waardoor je gewoon maar doorgaat. Daarbij komt dat we écht een team vormen met het personeel. Dat team haalt je er doorheen. Zonder die saamhorigheid, red je het niet. En we kunnen alles tegen elkaar zeggen. Ook niet onbelangrijk.’

Officieel mogen we Gea dan geen Roner noemen, toch zullen er weinig mensen in het dorp zo bekend zijn. Daarbij komt dat zij en Berend verknocht zijn aan ‘Roon’. ‘Maar we komen oorspronkelijk allebei uit Friesland’, zegt ze. ‘Ik ben na een aantal jaar naar Altena verhuisd en op mijn achttiende zijn Berend en ik hier, in de Burgemeester Borgerstraat, gekomen. Dit waren huisjes van Jarino. Bijna de hele straat bestond uit collega’s van Berend. Het is altijd een hele fijne buurt geweest, vinden wij. Er is veel saamhorigheid.’ Tekenend is dat Berend op het moment van het interview aan het dakdekken is bij de overburen. ‘We helpen elkaar. Dat is erg fijn. Daarbij komt dat Berend en ik ook bezig moeten blijven. Wij houden niet van stilzitten.’

Dat laatste blijkt wel uit de werkzaamheden van Gea. Nog drie ochtenden per week werkt ze in het Thomashuis, waar ze het ontzettend naar haar zin heeft. ‘Daarvoor ben ik jaren oppas geweest. Later nog overblijfcoördinator op De Marke en ik heb buurtwerk gedaan. O ja, en ik heb nog als kapper gewerkt bij Hagenauw in Peize. Ik heb vanaf mijn vijftiende eigenlijk altijd gewerkt. Zo ging dat destijds.’

Daarnaast is er nog het vrijwilligerswerk bij VV Roden. ‘Alleen op zondag draaien Berend en ik bardiensten’, zegt Gea. ‘Het moet wel druk genoeg zijn. Op zondag is dat vaak geen probleem. We begonnen overigens bij VV Nieuw-Roden, ook een mooie club. Ik vind dat mooi om te doen. Vooral de derby’s, daar geniet ik het meest van.’

Inmiddels woont Gea al 48 jaar in de Burgemeester Borgerstraat. Sinds oktober vorig jaar zelfs in het huis van haar overleden zoon Danny, bij vele Roners beter bekend als Doetze. ‘Sommige mensen vinden dat misschien gek, maar voor mij en Berend voelt het goed. Dit was Danny’s plekje, hij had het hier fijn. We hebben vorig jaar gekeken of wij dit huis konden kopen en het huis wat wij hier verderop betrokken, hebben we verkocht. We hebben wel meteen gezegd dat we er geen museum van zouden maken. Het moest ons plekje worden en dat is het nu ook. Maar de druiven van Danny hangen er nog, zijn schuurtje is er nog steeds en ook de barbecue waar hij zo vaak mee ging ‘schroeien’ heeft nog steeds een plekje bij het huis.’

In de periode na de dood van hun eerstgeborene, vonden Gea en Berend wederom veel steun in hun geliefde buurt. Wat ook hielp: schrijven. ‘Daar ben ik zes jaar geleden mee begonnen, vanwege de Rodermarkt. Mensen die niet zo bekend waren met de Rodermarkt, vroegen mij vaak hoe dat er nou aan toe ging. Toen ben ik er mee begonnen. Elke dag een stukje op Facebook. Ik kreeg er veel leuke reacties op en men zei: “je mag niet stoppen hoor!” Ook na de dood van Danny bleef ik schrijven. Dat heeft me geholpen. Sowieso praten wij er vrij open over. Dat wil niet zeggen dat we hem niet missen. Soms missen we hem juist heel erg, soms is het nog heel onwerkelijk. Maar we zien nog steeds de mooie dingen in het leven. Iedere dag opnieuw. In elke dag zit een verhaal.’