Noordenvelders: Gerbrant Fennema

Een kleurrijke man, verknocht aan vrijheid. Gerbrant Fennema, het enige lid van de eenmansfractie van D66 Noordenveld (weliswaar met de steunfractie achter zich), is een graag geziene gast in het Rodense gemeentehuis. Op de redactie van De Krant vertelt de goedgeluimde Fennema over wat hem drijft.

Gerbrant groeide op in Oosterbeek, vlakbij Arnhem en zag jaarlijks de Nijmeegse Vierdaagse praktisch voor zijn huis voorbijkomen. Op latere leeftijd toog Gerbrant naar het noorden, om in Bolsward levensmiddelentechnologie te gaan studeren. ‘Dat kon in Friesland en in het zuiden des lands. Het noorden trok mij meer, omdat ik ook Friese voorouders heb’, verklaart Gerbrant. ‘Ik versta Fries, dat scheelt ook.’

Na zijn studie kwam hij in Groningen te werken, om via enkele omzwervingen in Roden terecht te komen. Later, in 2004, vertrok hij naar Roderwolde. ‘En daar wonen we nu al zestien jaar’, rekent Gerbrant uit. ‘Het is een mooi en actief dorp. De eerste vraag die we kregen was: doe je mee of doe je niet mee? Dat is tekenend, denk ik.’

Het antwoord liet zich raden. ‘We hebben vier kinderen, dus natuurlijk doe je mee. Zo lieten we een Rodermarktwagen bouwen in onze schuur en werd ik later actief in de medezeggenschapsraad van de school en bij Dorpsbelangen. Later begonnen we ook met kanoverhuur in het dorp. Een prima manier om iedereen te leren kennen.’

Datzelfde gold voor de theetuin die Gerbrant en zijn vrouw een tijdje lang bestierden. ‘Dat deden we toen het café in Roderwolde dicht was. Om de vele wandelaars en fietsers toch wat te bieden, begonnen we die theetuin. Nu het café gelukkig weer open is, hebben we besloten ermee te stoppen. We willen de nieuwe uitbaters niet in de weg zitten.’

Ook met de kanoverhuur is Gerbrant inmiddels gestopt. Wél loopt hij al jaren mee in de gemeentelijke politiek. ‘In 2006 deed ik voor het eerst met D66 mee aan de verkiezingen in Noordenveld. Ik kom uit een VVD-nest en mijn broer is elders nog raadslid voor die partij. Of dat botst? Nee hoor, we zijn er altijd vrij in gelaten. Dat kenmerkte onze jeugd sowieso. Mijn ouders zijn bijvoorbeeld doopsgezind en mijn broer is zelfs predikant geweest, maar het werd ons niet opgedrongen. Ik heb me als volwassene nog laten dopen, dat zullen maar weinigen weten.’

Gerbrant gelooft, maar hecht ook in het geloof veel waarde aan vrijheid. ‘De Doopsgezinde Kerk biedt die vrijheid. Ik zit echt niet iedere zondag in de kerk en we worden vrijgelaten hoe we het geloof beleven. Daarbij opereren alle kerken autonoom. De landelijke vereniging dicteert niet hoe men het regionaal moet aanpakken. Dat geldt trouwens ook voor D66.’

Dat Gerbrant zich juist bij die partij welkom voelt, komt volgens hem door het ‘anders denken’. ‘Die ruimte is er bij D66, dat zit er gewoon in.’ Men zou D66 zonder overdrijven een  kleurrijke partij kunnen noemen, iets wat Gerbrant zelf ook is. ‘Het is niet een doel op zich om kleurrijk te zijn’, zegt het raadslid wat voor het kerstreces nog met een kersttrui in de raadszaal verscheen. ‘Ik weet ook niet of ik dat volgend jaar weer ga doen. Dan moet ik namelijk weer een nieuwe trui kopen’, lacht hij. ‘Nee, het is gewoon wie ik ben. Ik denk er niet over na ofzo.’ Wel zorgde zijn kleurrijke voorkomen ervoor dat hij eens gepersifleerd werd in een toneelstuk te Roderwolde. ‘Kwam er iemand met een gele fiets met zo’n rode bak erop op het podium. Dat was wel grappig.’ En natuurlijk is er de korte broek. ‘Ook een stukje vrijheid’, meent Gerbrant. ‘Ik probeer zo lang mogelijk een korte broek te dragen, als dat even kan. Pas als het echt te koud wordt, gaat de lange broek aan.’

Het raadslid is een makkelijke prater bij wie een grapje altijd in de lucht hangt. Is het voor hem dan niet moeilijk om als enige D66’er in de raad te zitten? ‘Het is niet anders. Ik heb gelukkig een goede steunfractie, dus hoef echt niet alles alleen te doen.’ En dat is maar goed ook, want voor Gerbrant is het soms een opgave om zich door stukken als de perspectiefnota te worstelen. ‘Ik heb dyslexie, dus het duurt wat langer. Zo weet ik van heel veel woorden wat ze betekenen, maar niet hoe ik dat moet uitleggen. Dat is best lastig soms.’

Na een uur kletsen met Gerbrant is een glimlach niet ver weg. ‘Een dag niet gelachen, is een dag niet geleefd’, luidt zijn credo. ‘Er is iedere dag een absurdistisch moment waar je om kan lachen. Altijd. Of er te weinig gelachen wordt? Nou, lachen om het lachen is ook niet goed natuurlijk. En daarbij kan ik ook heel goed serieus zijn. Met Henk Kosters bijvoorbeeld. Het ene moment maken we een lolletje, het andere moment zijn we weer serieus. Maar er moet gelachen worden. Iedere dag.’