Noordenvelders; Jan Buiter

Als geboren en getogen Roner zag Jan Buiter zijn dorp veranderen. Hij werd naar eigen zeggen geboren op de kermis, ging naar de Scheepstra School, de MULO en de MLS. Ondertussen zette hij voor de toenmalige landbouwvereniging een winkel op die langzaam maar zeker uitgroeide tot een fenomeen. En inmiddels, zo weet hij zelf ook, kent bijna iedereen in Roden Jan Buiter. ‘Daar kan ik ook niks aan doen. Komt vast deur mien grote bek.’

Koffiedrinken met Jan mondt al gauw uit in een geanimeerd gesprek over van alles en nog wat. Hij kan mooi vertellen en heeft de lachers snel op zijn hand. Zijn 35 jaar als toneelspeler bij Toneelvereniging Woldbloem versterken zijn gevoel voor een goed verhaal. Over zijn schooltijd bijvoorbeeld, maar ook over de jaren ’50, toen Jan nog Jantje was (of is hij dat nog steeds?). ‘Ik werd geboren op de kermis’, begint hij. ‘Ons huis grensde aan de Brink en tijdens Rodermarkt stond de attractie van de familie Riddering zowat bij ons op de oprit. Hun woonwagen stond ook bij ons op het erf en zelfs de stroom kregen ze van ons. Een mooie tijd, niet te vergelijken met nu.’

Ook de weg naar school was een korte voor Jan. Even de Brink over en hij was er. Een anekdote is bij Jan nooit ver weg en ook nu schudt hij er zo een uit zijn mouw. ‘We hadden in mijn tijd meester Speerstra, later ook betrokken bij Volksvermaken. Een hele aardige man, die je – als je ondeugend was – bij de oren pakte. Eén keer kwam ik huilend thuis omdat hij mijn oor had gepakt. Thuis vroeg mijn vader welk oor dat was. Toen ik die aanwees, kreeg ik van mijn vader een draai om mijn andere oor. “En nu weer terug naar school!”, zei hij. Hij wist dat meester Speelstra mij niet zomaar een draai om mijn oren had gegeven.’

Na de MULO wachtte een mooie tijd voor Jan aan de Middelbare Landbouwschool. ‘Het was een verschrikkelijk mooie tijd’, zegt Jan met een lach op zijn gezicht. De ondernemer, nooit te beroerd om bestuurlijke taken op zich te nemen, trad ook toe tot het schoolbestuur van de MLS. ‘Het leverde ons vele feestjes op. We konden haast iedere avond wel ergens naartoe. En op school had ik het zeker niet moeilijk. Ik haalde vaak de beste cijfers van de klas. Dat kwam omdat ik vaak wist wat er op het proefwerk kwam. Als je goed oplette, liet de leraar dat altijd doorschemeren. Ik onderstreepte dat dan en leerde alleen de onderstreepte delen. Makkie.’

Het zou zeker niet de laatste bestuursfunctie zijn die Jan bekleedde. Hij was voorzitter van de voorloper van de activiteitenvereniging in Roden, voorzitter van de Jaarbeurstent van de Handelsvereniging, voorzitter van de Zakenkring, voorzitter van de Rijvereniging en ga zo maar door. ‘Achteraf denk ik wel eens: hoe heb ik het volgehouden?’

In 1970 begon Jan met het opzetten van de winkel. Ondertussen studeerde hij aan de MLS. Leren, werken en een hoop gezelligheid: dat kenmerkt de jaren ’70 voor Jan. In 1981 werd hij directeur van de Landbouwvereniging en in 1983 stond er een nieuw pand aan de Kanaalstraat. Buiter Roden groeide als kool. Van 200 naar 1400 vierkante meter. Ook het team breidde zich uit. Zijn personeel – door Jan en zijn vrouw Hennie standaard liefkozend ‘de jongens’ genoemd – is als familie voor hem. Door de jaren heen veranderde het werk. Het werd eenvoudiger. Jarenlang sjouwde Jan met mestzakken van wel vijftig kilo per stuk. ‘Geen wonder dat ik nu een kromme rug heb.’

Tegenwoordig hoeft dat gelukkig niet meer. Jan doet het sinds kort rustiger aan. Woensdags is hij vrij. ‘Een ouwelullendag’, noemt hij het met een gezonde dosis zelfspot.

De komende jaren zal hij meer tijd maken voor mooie reizen met Hennie. ‘We gaan graag naar Scandinavië en Kroatië enzo. Prachtig is het daar.’ Daarnaast houden Jan en Hennie vooral van gezelligheid. Tijdens de Rodermarkt zijn ze er iedere dag. Niet tot het laatst, want ‘die tijd is voorbij’. Legendarisch is inmiddels het verhaal van de struikelpartij van Jan. Op de donderdagavond voor de Rodermarkt. ‘Heel Roon wist het de dag erna al’, herinnert Jan zich. ‘Het was ook geen gezicht. Met zo’n dikke pleister op mien kop. Iedereen had het erover.’ Het is maar goed dat Jan een dikke huid heeft, want hij heeft flink wat grappen voor zijn kiezen gekregen. ‘Hoort erbij’, lacht hij. ‘Ik zie het Jaarbeursbestuur op de zaterdag nog allemaal met een pleister op de kop lopen. Waren ze solidair aan mij.’ Het sterkt Jan in zijn heldere eindconclusie. ‘Roon is een mooi dörp.’