Noordenvelders; Janny Tonnis de Graaf

Ze groeide op als boerendochter op de boerderij van haar ouders aan de Zevenhuisterweg in Nieuw-Roden. Ze hield van het boerenleven. Koeien melken, de eiwitten en vetten uitzoeken (hoe hoger het percentage, hoe hoger de melkprijs), stambomen van koeien en stieren uitpluizen; geweldig vond ze het. Later stapte Janny Tonnis de Graaf samen met haar man Job in de voetsporen van haar ouders. De show must go on immers. Ongeveer tien jaar maakten ze vol. Daarna was het tijd voor een nieuw hoofdstuk in haar leven: moderne kunst. Het Kunstpaviljoen in Nieuw-Roden trok de aandacht van het NRC, de Volkskrant, Telegraaf, nationale ontwerpers als Piet Hein Eek en internationaal bekend trendwatcher Lidewij Edelkoort. Allen kwamen ze naar Nieuw-Roden voor een verhaal over kunst.

Janny Tonnis de Graaf (69) had altijd al interesse voor kunst. Op haar achttiende ging ze mee met een georganiseerde kunstreis naar Berlijn. Ze volgde een hbo-opleiding in textielhandvaardigheid in combinatie met kunstgeschiedenis. Later deed ze de lerarenopleiding aan het Ubbo Emmius in Groningen. ‘Vernieuwend voor die tijd. De jaren zeventig waren het, de tijd van de hippies. Bijna de mooiste periode in mijn leven. We maakten jurken van gordijnstof. Wisten wij veel of dat hippie was. Op de opleiding zeiden ze: laat die Janny maar lopen, het komt altijd goed. Ik stapte overal op af, was vasthoudend. En dat ben ik nog steeds.’ Dan lachend: ‘De gemeente was me weleens goed zat toen ik het Kunstpaviljoen wilde bouwen op deze plek.’

Janny en haar man wonen in het Kunstpaviljoen aan de Zevenhuisterweg in Nieuw-Roden. Sinds een jaar of vijf is ze door de ziekte van Job (hij lijdt aan dementie) niet langer actief. Enkel op afspraak is fenomenaal ingerichte paviljoen nog open. Het pand heeft iets magisch. De lichtval, de inrichting die niet één stijl typeert maar een verzameling is van unieke stukken die op de een of andere manier perfect met elkaar matchen. ‘Goeie stukken hoeven niet bij elkaar te passen, dat past vanzelf.’ Het is vooral de kunstbeschouwing die Janny interessant vindt. Hoe is iets ontstaan en waarom juist in deze periode? Kunst is de spiegel van de maatschappij. Het zet je even op een ander been. Waar sta ik nou? Ik heb alle tijden in huis’, zegt Janny die wijst op een skateboard dat aan de wand hangt. ‘Gemaakt door een succesvolle Afrikaanse kunstenaar. Hij bedenkt iets en zet de straatjeugd ermee aan het werk. Kunst ontstaat in de maatschappij. Kunstenaars raken geïnspireerd door wat ze meemaken, voelen en zien.’

Het boerenleven was leuk, toch besloot Janny ermee te stoppen. ‘Ik miste creatieve figuren. De meelkoopman, de veekoper en de tankautochauffeur waren de enige mensen die bij ons over de vloer kwamen. Maar afscheid nemen doe je niet zomaar. Je kunt als boer niet gewoon zeggen ‘ik stop ermee’. Toen Job een hernia kreeg en al het fysieke werk op mij neerkwam, lukte het niet langer. Ik was vast besloten: nu ga ik doen wat ik leuk vind. We zijn begonnen met een galerie. Na twee jaar besloten we om er een museum van te maken. Dat gaf meer voldoening. Daar had je een gebouw en een collectie voor nodig. Toen zijn we radicaal gaan aankopen. Job en ik samen. Alles deden we met z’n tweeën. Eindelijk kon ik mijn verhaal kwijt. Sommige mensen zien of een voetballer goed is, wij zien of een kunstenaar het redt of niet. En je hoort mensen wel eens zeggen: dat kan ik ook wel. Grote flauwekul. We wisten unieke stukken te bemachtigen. Wat wij deden was vooruitstrevend voor het noorden. In het westen vinden ze dat heel normaal, hier niet. Vele toppers hebben we binnengehaald. Ontwerper Piet Hein Eek presenteerde hier zijn collectie, we hebben de Papier Biënnale binnengehaald, ondenkbaar nu. Trendwatcher Lidewij Edelkoort hield hier lezingen. Daar kwamen mensen massaal op af. We braken landelijk door met het Kunstpaviljoen. RTL is hier geweest, de Volkskrant en het NRC schreven lovende recensies.’

Nog steeds speelt moderne kunst de hoofdrol in Janny’s leven. ‘Kunst is mijn brood, daar leef ik op. Ik volg het werk van kunstenaars, beroemde architecten en vormgevers. Gebouwen die bepalend waren en nu nog steeds zijn wil ik graag zelf bekijken. Bijna alle klassiekers die ik belangrijk vind heb ik gezien. Fallingwater van de architect Frank Lloyd Wright is zo’n voorbeeld. Ik heb een reis uitgestippeld en ben alleen gegaan. Ik heb een dag doorgebracht in dat huis inPennsylvania. Heb in iedere ruimte gezeten en alles in me opgenomen. De gordijnen in de gaten (in plaats van deuren) komen van hem. En ik realiseer me goed: de grote wereld inspireert me, maar niemand heeft een boodschap aan jou. Niemand zit op Janny te wachten. Wat er met het paviljoen gaat gebeuren als ik er niet meer ben weet ik niet. Het  maakt me ook niks uit. Mijn dochter interesseert het niets. Bij jezelf blijven, dan blijf je overeind. Zo leef ik.’