Noordenvelders – Jeannet Sijtsema

Eigenlijk was ze niet van plan om in deze rubriek te verschijnen. Met haar man Arend heeft ze ooit een pact gesloten om in geen geval de media op te zoeken. Maar toen in deze krant het verhaal over de (hulp)Sinterklazen verscheen en Arend daar één van is en dus niet kon ontbreken, was de afspraak geschonden. En daarom besloot Jeannet voor één keer een uitzondering te maken. Dan is het tenminste 1-1.

In haar riante appartement in hartje centrum steekt ze een sigaret op. Ze kijkt uit over de hele Heerestraat. Niet dat ze dat vaak doet, want als ze naar buiten wil gaat ze op het terras zitten. Het liefst elke dag. En dus ja, corona hakte er extra hard in bij Jeannet Sijtsema (66). Ze is extravagante verschijning, met haar korte blonde haar dat altijd recht omhoog staat, zwarte kleding, haar opvallende ringen en felgroene oogschaduw. Op haar Peugeot Rapido, een brommertje van 37 jaar oud, sjeest ze overal naar toe. Jeannet houdt van mensen, gezelligheid en de kroeg. Een horecadier is ze, heeft in vele Roder horecaetablissementen gewerkt. ‘Ik zeg altijd: Ik heb een tuin die zo groot als de wereld is. Een liedje van Conny Vandenbos. Toen ik het hoorde dacht ik: dat heb ik hier.’

De liefde bracht Jeannet naar Roden. Ze is geboren en getogen in de buurt van Amersfoort. ‘Ik had een vakantiebaantje bij een lunchroom waar ze werkelijk alles zelf maakten. Van friet, tot lihanboutjes en ijs. Ik had het ontzettend naar mijn zin. Verdiende zestig gulden per week. Maar ik zou kapster worden, zat op de hbs. Ik moest vier dagen werken en één dag naar school. Mijn vader bracht mij naar een kapsalon waar ik een sollicitatiegesprek had. Voor vier dagen werken kreeg ik zeventien gulden vijftig. Ik zei: dat ga ik niet doen. Zo ben ik in de lunchroom blijven hangen en heb ondertussen mijn horecapapieren gehaald. Arend ontmoette ik in een kroeg in Harderwijk. Hij woonde in Eelde. Zo kwam ik terecht in het noorden. De eerste keer dat ik met Arend Roden binnenreed zal ik nooit weer vergeten. De rotonde bij het Julianaplein was nog een grasveldje met één boompje. ‘Hier wil ik wel wonen’, zei ik. De rest van het dorp had ik nog niet eens gezien. Dat is nu veertig jaar geleden. En ik wil hier nooit meer weg.’

Ze is een bekend figuur in Roden. Jeannet draaide bardiensten in de Lanteern, bij Onder de Linden en later kwam ze in vaste dienst bij de Pompstee. En hoewel ze al met pensioen is, helpt ze nog steeds met van alles en nog wat bij het laatst genoemde restaurant. ‘Ik ben een noodgeval, de buurvrouw die de plantjes water geeft. Handig hoor, voor een bedrijf. Als de koks iets nodig hebben en het moet direct, regel ik dat. Ik ben nog steeds nauw betrokken, dat vind ik leuk. Ik heb altijd in een kroeg gewerkt, als dat ophoudt, mis je dat. Arend is het gewend. Hij weet niet anders. Soms zegt hij: moet je nog niet weg? We zijn veertig jaar getrouwd. Best bijzonder voor een horecakaffer als ik. Ik ben geen tv-kijker, ik moet naar buiten. Ik ga altijd alleen, zie wel wie ik tegenkom. Gezellig kletsen, lekker dikdakken, dat is echt mijn ding.’ Jeannet kijkt met liefde terug op haar tijd in de Roder horeca. ‘Ik was een soort van ambulant. Werkte bij de Lanteern, maar als Piet en Griet extra handjes nodig hadden was ik daar. En heb Herman Slagers van de Winsinghhof  weleens uit de brand geholpen met een lunch. Als het bier op was bij de Lanteern, ging je naar het Wapen voor een fustje. Zo ging dat toen. Bij de Pompstee deed ik alles. Restaurant, bar, terras. Waar gewerkt moest worden was ik. De bar was leuk, maar ook heftig. De verhalen die je hoort, de dingen die je ziet. Liegen om iemand te helpen heb ik nooit gedaan. Ik wil nog weleens om de pot heen draaien of zeg niets.’ Jeannet schiet in de lach. ‘Er was eens een man die tegen me zei: ik vind u helemaal niet leuk.’ Ik antwoordde: dat hoeft ook niet. Ik ga ervoor zorgen dat u lekker eet en een leuke avond heeft. Toen hij wegging, kreeg ik een zoen en was een geweldig wijf. Mijn gasten zijn mijn gasten. Ik wil ze een onvergetelijk moment bezorgen.’

Mensen die het vak écht verstaan zijn er niet zoveel, weet Jeannet. ‘Horeca is niet voor iedereen weggelegd. Daar kwam ik op jonge leeftijd al achter. Het is zwaar werk en je werkt altijd als een ander vrij is. Slechts twee keer heb ik meegemaakt dat ik zag: jij bent er geschikt voor. Als ik het restaurant binnenloop zie ik direct dat een meneer van drie tafels verderop zijn glas leeg heeft. Je moet links kijken en rechts kijken. En altijd op scherp staan.’