Noordenvelders: Joop Hamming

Deel 75

Muziekpionier Joop Hamming heeft dan bijna de respectabele leeftijd van 73 bereikt, nog steeds vinden de polsen van de drummer maar moeilijk rust. Niet langer speelt hij in dampende dancings tot laat in de nacht. Het vertier wat hij biedt is nu gericht op de ‘oudere jongere’ die liever zittend van de ‘gouwe ouwe’ hits genieten. ‘Vroeger was het een behoorlijke bijverdienste, maar tegenwoordig speel ik voor wat consumptiebonnen en een paar potten bier’, lacht Joop. Het kan de geboren Stadjer weinig verrekken. ‘De essentie van het verhaal is dat je geniet. En ik heb in al die jaren zeker genoten.’

Als Joop (vroeger: Jopie) op dreef is, vult hij de ruimte met anekdotes voorzien van een natte t. Het Groningse heeft Joop nooit verlaten, ook al woont hij al zo’n vijftig jaar in Roden. Hij was vijftien jaar toen hij zijn eerste stappen in de muziek zette. ‘Samen met een vriend wilden wij de muziek in. Gitaarspelen vonden we teveel werk. In de MULO zaten we met een jongen in de klas die zeer aardig kon drummen. Voor twee sigaretten per keer wilde hij ons lesgeven. Mijn vriend moest uiteindelijk maar zanger worden en mijn vriend Wim Feith, nu woonachtig in Peize, kwam er bij als basgitarist.’

The Javelins waren geboren en zouden uitgroeien tot ‘local heroes’. Hun lied ‘Weerom noar de Sixtees’, in samenwerking met Rooie Rinus en Pé Daalemmer, staat nog steeds jaarlijks op nummer één in de ‘Alle 50 goud’-lijst van RTV Noord. ‘Toen wij begonnen, in 1962, had je in bijna ieder dorp een dancing. Overal speelden dans- en showorkesten, de rock ’n roll bandjes kwamen pas net op. Niet overal werd dat gewaardeerd, maar de rock werd zo populair, dat dancingeigenaren er niet meer aan ontkwamen en de orkestjes inruilden voor rock ’n roll bandjes. Op zaterdagavond, zondagmiddag en zondagavond hadden we optredens. Soms ook nog op vrijdagavond. En op maandag gingen we steevast naar het Noorder Muziekhuis om de centjes in te leveren. Wij niet alleen trouwens, alle bandjes deden dat. Iedereen kocht instrumenten op de pof. Later kwam ik de oude eigenaresse van het Noorder Muziekhuis nog tegen. Zij vertelde mij dat uiteindelijk iedereen keurig de instrumenten heeft betaald, dat verbaasde mij nogal.’

Inmiddels is die tijd voorbij, maar muziek trekt nog steeds. ‘Ik speel nog in twee orkestjes, een duo en speel vaak mee met koren. Ik ben nergens te goed voor’, lacht Joop. ‘Ik ben graag onder de mensen. Als ik bij het koor speel is het vaak de maat aangeven, heel wat anders dan bij The Javelins. Maar goed, het is gezellig. En je krijgt wat consumptiebonnen en een paar potten bier.’

Al zo’n vijftig jaar woont hij in Roden dus. ‘Een echte Roner ben ik niet, alhoewel…. Als je ergens vijftig jaar woont, dan komt het aardig in de buurt toch?’ Ook in het Rodense heeft Joop op muzikaal gebied zijn sporen verdiend. ‘Ik zat bij Piet de Boer van Onder de Linden in het voetbalteam. “Kom maar even langs”, zei hij vaak. Dan treden we daar op, maar we hebben er ook in de negentiger jaren de Puur Sixties Festivals georganiseerd. Daar kwamen allerlei bands op af, waaronder The Clarks. We hadden steevast één of twee bands die een tophit hadden in die tijd. En natuurlijk sloten The Javelins het festival af.’

De verhalen van Joop over die tijd zijn altijd doorspekt met humor. Zo maakte hij de eigenaar van de dancing in Harkstede – die het toch al niet zo had op rock ’n roll bands – ooit wijs dat het nog even wachten was op de ‘saldronist’. ‘Wat is een saldronist?’, vroeg de verbouwereerde uitbater. ‘Die slaat twee natte zakken stront tegen elkaar!’, antwoordde Joop, waarop hem direct de deur werd gewezen.

Jopie – die altijd een gigantische ventilator met zich meedroeg om de hitte van het podium beheersbaar te krijgen – maakte eens mee dat hij na een optreden het gevaarte in zijn auto aan het laden was, toen plotseling een dronken man hem aanzag voor een taxichauffeur. ‘Ik ben geen taxichauffeur’, antwoordde Joop naar alle eerlijkheid, waarop de dronken man op de grote ventilator wees en zei: ‘Dat is lekker, die papegaai mag wel mee maar ik niet!’

Of die keer dat Joop na een optreden een stelletje betrapte die zich in zijn aanhangwagen hadden verschaft. Toen Joop de twee erop attendeerde dat het zijn aanhangwagen betrof, kwam de man – een grote kerel – overeind. ‘Moet je een flik aan de bek hebben?’, vroeg hij. Joop, klein van stuk, reageerde droogjes: ‘Nee hoor, ik wacht wel even!’

Een gesprek met Joop is een ‘trip down memory lane’. De muziek heeft hem veel gebracht, maar rijk werd hij er niet van. Wat nu? ‘Ik hoop nog een paar jaar door te gaan, misschien twee of drie jaar. En daarna lijkt het me leuk om nog één keer een festival te organiseren in Onder de Linden. Voor een man of duizend, dat zou toch mooi zijn?’