Noordenvelders: Joop Stuurwold

Geboren Stadjer Joop Stuurwold geniet van een welverdiend pensioen. Als man uit een ondernemersgezin mag het eigenlijk geen verrassing heten dat hij zijn eigen zaak begon. Dat deed hij in Roden, alwaar hij aanvankelijk moest wennen aan het dorpse. Maar juist het dorpse karakter leerde hij zeer waarderen. Zo kan het dat de ‘fietsenman’ nu – 50 jaar na de opening van zijn zaak aan de Heerestraat – overtuigd is van het feit dat hij niet meer terug wil naar Stad.

Gezeten onder het afdak van een prachtige tuin, haalt Joop de herinneringen aan 50 jaar ‘Stuurwold Fietsen’ op. Dat gaat vaak gepaard met een glimlach of met een uitstapje. Joop ontgaat de humoristische aspecten van het leven niet. ‘Zeg maar “je” hoor’, begint hij, wanneer de redacteur van dienst hem met ‘u’ aanspreekt. ‘Eerder liepen er bij het tankstation jonge werknemers, tegen wie ik altijd zei dat ze me met Joop konden aanspreken. Alleen wanneer er klanten waren, heette ik “Meneer Stuurwold” voor hen. Waarom? Dat hoorde zo. Men hechtte destijds meer waarde aan een soort status. Dat is nu veel minder het geval.’

Het was 1 februari 1970 toen Joop begon in de Heerestraat. 23 was hij, een broekie uit Stad. Maar wel iemand die met de fiets was opgegroeid. En met het ondernemen. ‘Mijn grootvader kwam van Stedum, maar de crisis dwong hem naar Groningen te verhuizen. Hij was een echte fietsenbouwer en begon een fietsenzaak in de Visserstraat. Op zijn zaak hing een bord waarop stond dat hij “Meester in de rijwielen” was. Het is een emaille bord en het hangt nog steeds in de zaak aan de Nieuweweg. Mijn vader nam later de zaak over.’

Joop zelf ging dus naar Roden. ‘Ik had even tijd nodig om mij aan te passen’, geeft hij toe. ‘Zeker in die tijd was er nog een groot verschil tussen Roden en Groningen. Als je van buitenaf kwam, gold je sowieso als import. De mentaliteit was anders, dat merkte je.’ Joop nam de zaak over van de familie Fonk en paste de winkel gaandeweg steeds meer aan. ‘Ik heb nooit de verbeelding gehad dat ik het wel even zou doen’, zegt hij. ‘Ik heb er altijd hard voor moeten werken. Ondertussen zie je Roden groeien en zie je veel zaken komen, maar nog maar zaken gaan.’

En Joop leerde Hillie kennen. ‘Ik kende haar eigenlijk al’, zegt hij. ‘Zij werkte bij rijwielfabrikant Fongers en hadden soms al via de telefoon contact over onderdelen. Daarnaast woonde Hillie al in Roden. We waren allebei vrijgezel en kwamen met elkaar in contact. Hillie zei dat ze wel eens wat onderdelen voor me mee kon nemen, zodat ik dan niet naar speciaal naar Groningen daarvoor hoefde.’

Vrij snel kregen Joop en Hillie verkering. Niet langer at Joop tussen de middag tegenover het gemeentehuis, maar kon hij genieten van de warme maaltijd van de moeder van Hillie. ‘Twee jaar later, in april, trouwden we al’, zegt Joop. ‘Hillie stopte bij Fongers en ging mij helpen in de zaak. Destijds was het gebruikelijk dat wanneer een vrouw trouwde met iemand met een eigen zaak, zij daar automatisch hielp. Dat heeft ze overigens altijd gedaan. Tot aan mijn pensionering regelde Hillie de administratie.’

Na achttien jaar verhuisde de zaak naar de Nieuweweg. Daarbij werd Joop opeens eigenaar van een tankstation. ‘Dat tankstation staat er nog steeds, maar moet je los van de zaak zien’, zegt hij. ‘Wij verhuren het nu. Zelf hebben we er verder geen werk meer van.’

Vijftien jaar geleden namen ‘de jongens’, zoals Joop zijn zonen Bart en Teun steevast noemt, de zaak over. ‘En ik heb respect voor de manier waarop ze dat doen. Het is makkelijker een zaak te beginnen, dan een zaak over te nemen. De jongens zijn ingesprongen op de ontwikkeling van de e-bike. Zo zie je maar dat iedere tijd zijn bijzonderheden heeft. Wat er nu staat, dat had ik jaren geleden nog niet durven voorspellen. Prachtig.’

Momenteel heeft Joop tijd voor andere dingen. Zoals, je verzint het niet, fietsen. Daarbij moet niet vergeten worden dat Joop één van de medeoprichters van de Wielertourclub (WTC) Roden. Terugblikkend op zijn vijftig jaar in Roden, kan Joop tevreden zijn. ‘Klanten hebben een luisterend mens van mij gemaakt’, stelt hij. ‘Eerder was ik meer verlegen, ik stond zeker niet vooraan. Het dorpse, het Rodense, maakte dat ik dat steeds meer kreeg.’ En, zo concludeert hij, de industrialisatie van Roden was een zegen voor Joop en zijn zaak. ‘Nu zie je dat internet een ramp is voor de detailhandel. Als fietsenbedrijf hebben wij daar relatief weinig problemen mee gehad, als je het vergelijkt met andere bedrijven. Maar ik blijf het belangrijk om de lokale ondernemer te steunen. Ons motto is: koop bij de man die het repareren kan.’