Noordenvelders: Rikus Koopman

Toen Rikus Koopman met zijn vrouw Hennie, en kinderen Tineke en Ralf, vanuit Blijham naar Norg vertrok, hield eerstgenoemde eerst de boot af. ‘In Blijham deed ik van alles. Ik zat bij de voetbalvereniging, in de dorpsvereniging en speelde zelfs voor Sinterklaas. Toen ik hier kwam wonen dacht ik: en nu doe ik het eerst rustig aan, anders houd ik geen vrije tijd meer over.’ Dat lukte een paar jaar, maar al gauw bleek het verenigingsbloed in hem te hardnekkig. Het is gezellig in huize Koopman, zo vlak voor de jaarwisseling. De Top 2000 staat op, er zijn kerstkransjes en er is koffie. Naast de leesstoel staat een stapel boeken en tijdschriften, onder andere over het Asser Wilhelminaziekenhuis in coronatijd. ‘De één is niet meer held dan de ander’, staat te lezen op de kaft. Hennie heeft haar hele werkzame leven in de zorg gezeten en is nu nog op vrijwillige basis actief in een hospice. ‘Een rare tijd? Weet je, in de zorg is er altijd iets. Je leert hiermee om te gaan. Natuurlijk is dit vreemd, maar als zorgmedewerker leef je hier ook voor.’
Als Rikus even later ‘schier’ op de foto staat, neemt hij zijn traject ‘voor Norg’ door. Te beginnen in Oosterhesselen, nabij Coevorden. Daar woonde hij met zijn ouders, één zus en drie broers in een kleine boerderij. ‘En mijn opa, die woonde ook bij ons. Toen we later naar Blijham verhuisden, kregen we er nog een zusje bij. We verhuisden omdat mijn vader merkte dat de boerderij niet toekomstbestendig was. Te klein om van te blijven leven. En dus gingen we naar Blijham.’
Hoewel zijn moeder aanvankelijk wat aanpassingsproblemen had, ging het Rikus vrij goed af. Hij spreekt over een geweldige jeugd, met veel vrienden en op een kleine school. En er was sport, veel sport. ‘Wat ik allemaal heb gedaan? Och man, even denken. Gymnastiek, rolschaatsen in Winschoten, wedstrijdzwemmen, waterpolo en later nog handbal. Ja, dat rolschaatsen, daarmee voerden we door het hele land shows op. Heel leuk was dat toen. Vooral in handbal was ik wel bedreven. Ik kon zelfs nog Eredivisie gaan spelen, maar dat heb ik niet gedaan. Ik was daar vrij recalcitrant in. Ik vond sporten en geld verdienen niet samengaan. Je doet het voor je lol en de contacten, niet voor de centen. Ik kreeg er zo’n aversie tegen, dat ik ben gaan voetballen.’
Hoewel Rikus begon aan de opleiding aan de Academie Lichamelijke Opvoeding in Groningen, wist hij maar niet wat hij wilde worden. Pas toen Rikus en Hennie al getrouwd waren, wees een buurman hem op een advertentie van het GAK. ‘Dat was de voorloper van het UWV. Ik ben daar aan de slag gegaan en vond het eigenlijk wel leuk. Dat kwam omdat ik onderaan begon en steeds iets anders heb mogen doen. In elf jaar tijd heb ik veel nieuwe uitdagingen aangegrepen en nieuwe dingen geprobeerd. Ik heb nooit écht een uitgestippeld plan gehad. Ik wist niet precies wat ik wilde worden en nu eigenlijk nog niet.’
Na elf jaar zichzelf in allerlei functies te hebben opgewerkt, wachtte hem een nieuwe uitdaging als vakbondsbestuurder bij wat nu Vakbond De Unie is. ‘Voor deze baan moest ik centraler in het Noorden gaan wonen. We kwamen hier uit, in Norg. Dat was in ’89. Ik besloot eerst niet zoveel in het verenigingsleven te doen, want ik wilde eerst settelen. Ik maakte weken van zestig tot zeventig uur. Anders hield ik geen vrije tijd meer over.’
Toch ging hij in Norg bij ADO toneelspelen, iets wat hij in Blijham ook al deed. ‘En via onze zoon Ralf ben ik betrokken geraakt bij GOMOS. Ik volgde Jan Koolen op als voorzitter. Het was een goede periode voor de club en ik heb in dat opzicht geen zware kluif aan mijn voorzitterschap gehad.’
Sinds 2010 heeft Rikus zijn eigen bedrijf: Divers Personeelsdiensten. En hij is sinds 2018 betrokken bij de politiek voor Gemeentebelangen. ‘Vanuit de vakbond en mijn rol als Zakenkring-voorzitter, kende ik de processen al wel een beetje. Mijn indruk van de raad als toeschouwer? Ik was nooit echt onder de indruk. Veel te lange verhalen en veel herhaling. Ik vind dat je dat van Gemeentebelangen niet kan zeggen. Wij komen to the point. Dat vind ik belangrijk.’
Dat er nog slechts zes raadsleden in de oppositie zitten en zeventien bij de coalitiepartijen horen, wil volgens Rikus niet zeggen dat er een soort ‘kliek’ is. ‘We houden elkaar de hand niet altijd boven het hoofd. Kijk maar eens hoe vaak de coalitiepartijen het met elkaar oneens zijn. De vraag is hoe je er in de praktijk mee omgaat.’