Noordenvelders: Sientje Faber

De meeste mensen in de omgeving van Roden zullen haar kennen als kapper. Sientje Faber is met pensioen, na meer dan vijf decennia lang een kapsalon aan de Brink te hebben gehad. Ze werd hierdoor voor velen een vertrouwd gezicht en hoorde de verhalen van haar klanten aan. Maar zelf heeft ze ook een zeer bijzonder verhaal te vertellen. Een verhaal dat de moeite van het delen waard is.

Zestien jaar was Sientje toen ze als leerling-kapper aan de slag ging bij Salon Faber te Groningen, niet wetende dat ze daar de liefde van haar leven tegen zou komen. Ze had het er naar de zin, werkte onder wat later haar (zeer geliefde) schoonvader zou worden en werd dus verliefd op zijn zoon. Op haar twintigste trouwden ze al en in 1969 verliet het echtpaar Groningen om zich in Roden aan de Brink te vestigen. ‘We zijn zelfs nog een tijdje de enige kapper in Roden geweest’, zegt Sientje. ‘Dat is nu niet meer voor te stellen met al die kappers.’

 Het leven rondom de Brink was fijn. Samen met haar man bestierde ze de kapsalon, totdat hij directeur werd van de kappersvakschool in Groningen. Ondertussen kreeg het stel twee kinderen, Monique en Jan-Willem. Het leven was prachtig, tot in 1982 het noodlot toesloeg. Op weg naar vakantie, nabij München, raakte het gezin betrokken bij een ongeluk, veroorzaakt door een 18-jarige wildebras. Haar man zou het ongeluk niet overleven, Jan-Willem lag nog zes maanden in het ziekenhuis. ‘Ik stond er plotseling alleen voor, al kreeg ik ook steun van allerlei mensen. Zo kwam mijn broer bij mij inwonen. Dat vond ik erg fijn’, herinnert Sientje zich. Nadat haar zoon uit het ziekenhuis ontslagen was, ging Sientje weer aan het werk in de salon. ‘Ik moest door’, zegt ze. ‘Wat kon ik anders?’

En het werk had een therapeutische werking op haar. Ze hield van knippen, ging geen dag met tegenzin aan de slag. ‘De omgang met mensen vind ik prachtig’, zegt ze. ‘Dat mijn dochter later ook kapper wilde worden, vond ik leuk. Maar ik heb haar nooit gedwongen ofzo. Ze mocht doen wat ze wilde en ze wilde graag kapper worden.’ Het samenwerken met Monique heeft nooit tot problemen geleid. Kop en kont waren ze. En zijn ze nog steeds. Zoals het nu lijkt wordt de kapperszaak niet doorgezet door één van de vier kleinkinderen van Sientje. ‘Of ik dat erg vind? Nee hoor, helemaal niet. Iedereen moet doen wat ze leuk vinden, waar ze gelukkig van worden. Zo heb ik het meer dan 55 jaar vol kunnen houden als kapper, anders was ik allang gestopt.’

In haar kapperszaak maakte ze de mooiste dingen mee. ‘We hebben wat af gelachen’, glundert Sientje. ‘Ik ken wel honderden leuke verhalen. Maar men vertelde je ook treurige dingen. Klanten stortten hun hart uit, dan hoor je alles. Een amateurpsycholoog? Ja, zo zou je dat haast kunnen omschrijven.’

Het Roden van vroeger is niet meer, weet Sientje. ‘In het begin kende je iedereen, het dorp was veel kleiner. Ik zie de melkwagens nog door het dorp rijden. De ouderwetse Drentse keien gaven het dorp karakter, maar zijn nu verdwenen. Jammer vind ik, maar zo gaat dat nu eenmaal.’

 Tegenwoordig geniet Sientje vooral van het leven. Eigenlijk had ze op het moment dat het interview werd afgenomen in een vliegtuig richting Kenia moeten zitten, samen met – hoe kan het ook anders – Monique. ‘We zijn negen jaar terug al eens naar Zuid-Afrika geweest. Heel indrukwekkend. Wij  houden van dieren en zagen daar ‘the big five’. Fantastisch was  het.’

 En heel af en toe zijn er nog tripjes naar ‘de FC’. ‘Ik heb altijd van voetbal gehouden’, zegt ze. ‘Vroeger al ging ik naar GVAV. Als Abe Lenstra voetbalde, moest ik op de tribune zitten. Later had ik ook nog een seizoenkaart voor FC Groningen. Monique begreep er niets van: “Jullie altijd met dat voetballen!”, zei ze dan. Totdat ze een keer meeging. Ze vond het geweldig! Nu krijgen we heel af en toe nog eens kaarten, en dan gaan we weer heen. Leuke uitjes zijn dat.’

Wandelen, even naar het fitnesscentrum, oppassen op haar achterkleinkind: Sientje blijft bezig. ‘Ik vermaak mij uitstekend. Van verveling is geen sprake.’