‘Och, je moet ook wat geluk hebben’

Johan Baard eerste kievits ei-2

Johan Baard eerste kievits eiJohan Baard: en dat is 31

LIEVEREN – Je kon er op wachten. De klok op gelijk zetten. Ook dit jaar vond Johan Baard (81) uit Roden het eerste kievitsei in de gemeente Noordenveld. Dat ei vond hij in Lieveren, op het land van Maatschap Bolhuis. Baard is de ‘concurrentie’ altijd weer te slim af. Kwestie van goed observeren en ervaring. ‘En je moet wat geluk hebben’, zegt Baard bescheiden.
Precies een week geleden stuitte Baard op het eerste kievitsei, na een week of twee, drie in de buurt rondgelopen te hebben. Baard’s vondst was laat, vorig jaar vond hij het ei een week eerder. Het allereerste kievitsei in ons land werd al tien dagen eerder gevonden, in het Zuiden van Nederland. Baard werd wederom niet vrolijk van de wandelingen over de landerijen in Noordenveld. Niet vrolijk van het aantal weidevogels, want dat aantal is volgens Johan opnieuw gedaald. ‘De provincie wil er wat aan gaan doen. Bijvoorbeeld door voorlichting te geven. Te laat als je het mij vraagt. Het kalf is straks spreekwoordelijk al verdronken. Over een aantal jaren moeten we naar de nieuwe dierentuin in Emmen om een grutto of kievit te zien. Een zorgelijke ontwikkeling.’

Baard kan dagen over de landerijen lopen. Het gedrag van de vogels zegt vaak veel. Baard weet dat ondertussen. Bovendien: zonder ervaring en de juiste kijkwijze is het lastig om op een akker van elf hectare een piepklein kievitsei te vinden. Baard kijkt daarbij niet naar de grond, maar vooruit. Er ontgaat hem niets. Baard maakt zich oprecht zorgen over het wel en wee van de weidevogels. Net als over het afval dat in de natuur gedumpt wordt. ‘ Mensen worden steeds makkelijker. Ik loop overal tegenaan; autobanden, accu’s en plastic flessen langs de weg. Ik erger me daar aan. Net als ik me verbaas over de moeite die gedaan wordt voor de das en de otter. Prachtig allemaal, maar vervolgens worden ze wekelijks doodgereden. Dat heeft iets weg van dweilen met de kraan open. Nederland wordt er te klein voor. Het aantal kerkuilen neemt wel weer toe. De wolf? Heeft hier volgens mij niets te zoeken. Vossen zijn er nog steeds in overvloed. Zelf loop ik inmiddels 75 jaar door het land. In die periode heb ik overigens maar drie keer een vos gezien.’
Mooi voorbeeld. In de nabijheid van de vindplaats van het eerste kievitsei – gemakshalve: bij Hendrik Smeenge in de buurt- zag Baard niet heel lang geleden kieviten, tureluurs, scholeksters en eenden gebroederlijk op het nest zitten broeden. Nu is op die plek niet één vogel meer te bekennen. Veelzeggend ‘Staatsbosbeheer bewerkt de grond niet meer. Dat merk je meteen’, zegt Baard. ‘Dat het aantal kieviten minder wordt, heeft natuurlijk te maken met de boeren. De nesten worden vernietigd tijdens de werkzaamheden. Heel vervelend, al moeten de boeren natuurlijk ook hun brood verdienen. Vroeger werd er later gehooid bijvoorbeeld en waren de machines ook anders. Nu gaat alles in razend tempo. Het is de tijdsgeest, maar toch kan de boer er rekening mee houden, het is soms een kleine moeite. Even een nest verplaatsen, dat kost amper tijd. Het zoeken naar eieren blijft mijn hobby, al is de charme er wel af. Er zijn jaren geweest dat ik per dag honderden eieren zag. Dat is nu totaal anders. En die tijd komt ook niet terug.’

En toch kan Baard nog steeds genieten van de natuur. Van Amalia bijvoorbeeld, een vogel die ooit in Friesland voorzien werd van een zendertje om de gevleugelde vriend zo te kunnen volgen. ‘Ik keek laatst naar Omrop Fryslan. Wat bleek. Amalia vloog op donderdag in Frankrijk en een dag later weer in Friesland. Dat vind ik zo mooi, zo wonderlijk. Net als het gedrag van de grutto. Ouders laten hun jongen na een week of drie in de steek en vertrekken richting Zuiden. Het wonderlijke is dat die jongen later precies dezelfde weg afleggen als hun ouders. Exact dezelfde route vliegen. Onverklaarbaar, maar voor mij is dat dé charme van de natuur.’ Johan Baard geniet in de vrije natuur. Hij verwondert zich ook. Over de Onlanden bijvoorbeeld – ‘ ik had dat liever een beetje anders gezien’- en over de gans. ‘Ik was er zelf bij, jaren geleden. Er werd toen besloten gedooggebieden voor de gans te creëren. Er waren toen 200.000 ganzen in ons land. Nu zijn dat er twee miljoen. Een gans eet een kilo gras en dus heb je ook een kilo uitwerpselen. Per gans. En als een boer een keer de mest verkeerd uitrijdt, krijgt ie een boete, haha. Er zijn veel te veel ganzen. Maar kom er maar eens weer af. Dan komen allerlei groeperingen in actie. Net zoals voor de vleermuis. Laatst las ik dat een omvangrijk bouwproject vanwege mussen stil moest worden gelegd. We draven een beetje door, als je het mij vraagt. Dat kun je wel een beetje vergelijken met asbest, doen we in dit land ook zo paniekerig om. Ik monteerde vroeger cv’s. Ik heb jarenlang letterlijk in de asbest gelegen. En hoewel het uiteraard niet gezond is, ben ik toch al 81, haha.’
Baard kan uren vertellen. Nodig ook, want bepaalde diersoorten zie je nog zelden. Gelukkig is er dan Johan Baard, die de ene na de andere anekdote uit de mouw schudt, maar zich oprecht zorgen maakt. ‘ Vraag jonge kinderen maar eens of ze weten wat een fazant is. Of een patrijs. Dat weten ze niet, terwijl je er vroeger over struikelde bij wijze van spreken.’

Tenslotte: Baard gebruikte dit jaar voor het eerst een soort van spray. Iets nieuws. ‘Dat doen we bij wijze van proef. We sprayen rondom het nest en hopen zo de vossen, marters en hermelijnen op afstand te houden. Ik hoop dat het werk. Een ding weet ik wel: het spul stinkt verschrikkelijk, haha.’