Ode aan een juffer

Door: Henk Brink

Het is lang geleden dat ik in het voorjaar zoveel in het veld ben geweest. We hadden een lange vakantie gepland, die vanwege het coronavirus uiteraard niet doorging, dus ineens was er heel veel tijd. Veel natuurwandelingen gemaakt in de drie noordelijke provincies samen met mijn vrouw, en veel vogels gekeken in mijn eentje. Nu zou ik kunnen vertellen over wat ik zoal zag: de weiden vol pinksterbloemen en oranjetipjes in het beekdal van de Aalderstroom, de blauw aangelopen heikikkers in de Onlanden, het luchtgevecht tussen zeearend en visarend pal boven me in de Onnerpolder en de rupsjes van de kleine wintervlinder overal bungelend aan zijden draadjes. Maar dat doe ik allemaal niet, want de zomer staat voor de deur en liever vertel ik over iets wat u de komende tijd met eigen ogen kunt bekijken. Daarvoor neem ik u mee naar wat na alle omzwervingen voor mij het mooiste landschap en beste wandelgebied blijft van het noorden, wat zeg ik, van heel Nederland: Nationaal Park Drentsche Aa.

Schitterend

Nu houd ik eigenlijk niet van de zomer. Te warm, te drukkend, te saai schel licht, te eenzijdig groen, te veel vervelende insecten. Ik heb eigenlijk ook niets met insecten. Ja, ik weet natuurlijk hoe belangrijk ze zijn, maar ik hoef me er verder niet in te verdiepen. Zoals de meeste mensen maak ik een uitzondering voor kleurrijke verschijningen als dagvlinders en hommels. Die zijn behalve mooi meestal ook makkelijk te herkennen en het aantal soorten is te overzien. En ik maak een uitzondering voor het beestje waarover ik het hier wil hebben. Calopteryx splendens heet hij in het Latijn, en hij is zo schitterend als zijn achternaam aangeeft. Ik heb het over de weidebeekjuffer. Dat is een libel die door zijn gekleurde vleugels en fladderende vlucht aan een vlinder doet denken.

Even een stukje systematiek. Binnen de klasse der insecten heb je de orde van de libellen (Odonata). Die is verdeeld in twee onderordes: de ‘echte libellen’ en de juffers. Juffers zijn kleiner en smaller en houden in rust hun vleugels omhoog terwijl echte libellen ze spreiden. Binnen de juffers heb je weer verschillende families, waarvan die van de beekjuffers er een is. Het is een erg overzichtelijke familie: in Nederland zijn er maar twee soorten, en voor de bosbeekjuffer moet je naar de Achterhoek of Zuid-Limburg. Blijft over: de weidebeekjuffer. Die vind je ook in Drenthe, en de Drentsche Aa is zijn noordelijke bolwerk.

Staalblauw

Vooral de mannetjes van de weidebeekjuffer (u moet maar even wennen aan het idee dat juffers ook mannen kunnen zijn) ogen spectaculair. Hun lange smalle lijf is onwaarschijnlijk metallic glanzend staalblauw en op de vleugels hebben ze een grote donkerblauwe vlek. De vrouwtjes missen die vlek en vallen minder op, maar van dichtbij bekeken glanst hun groene lijf al even uitbundig. Onder bepaalde lichtval lijkt het goudkleurig en ook hun gazen vleugeltjes lijken dan van gouddraad geweven. Je zou van minder poëtisch worden.

De brug over het Oudemolensche Diep, vlakbij de parkeerplaats Molensteeg waar wandelroutes starten, is een geheide plek om weidebeekjuffers te zien fladderen. Maar ook elders langs dit diepje en bij het Gastersche Diep, het Taarlosche Diep of het Loonerdiep is het meestal wel raak. De weidebeekjuffer houdt van stromend (maar niet te snel), schoon en zuurstofrijk water met een goed ontwikkelde oeverbegroeiing. Daar is de fladderdans van de mannetjes van ongeveer half mei tot half augustus te zien. Regelmatig zie je twee of meer mannetjes luchtgevechten houden, waarbij ze hun fraaie vleugelvlekken showen. Elk mannetje houdt er namelijk een eigen territorium op na, een piepklein stukje oever (hooguit een paar vierkante meter) dat hij verdedigt tegen andere mannetjes. Oeverplanten gebruikt hij als uitkijkpost. Een tweede type vliegactiviteit is de bruidsvlucht, waarbij het mannetje het vrouwtje langdurig achtervolgt.

Onder water

Dat is zo’n beetje wat je van de juffers ziet. De rest van hun leven speelt zich grotendeels onder water af. Daar zet het vrouwtje na de paring haar eitjes af op een water- of oeverplant. Daarvoor daalt ze een stengel af en gaat ze met de kop naar beneden het water in; in dat laatste is ze uniek onder de Nederlandse libellen. Voor de winter komen de eitjes uit. De larven leven een winterseizoen lang, of nog een extra jaar – dat hangt af van de watertemperatuur – op een donkere plek onder water, tussen planten of boomwortels. Ze hebben niets van de schoonheid van de volwassen libel, maar zien er zoals alle libellenlarven tamelijk monsterlijk uit. Of ze net als andere libellenlarven ook een monsterlijke eetlust hebben en alles verslinden wat ze voor de bek komt, kan ik in de literatuur niet vinden, maar het zou me niet verbazen. De volwassen juffers leven één seizoen en eten kleine insecten.

Een halve eeuw geleden was de weidebeekjuffer nog zeldzaam, wat alles te maken had met de beroerde waterkwaliteit. Sindsdien is de waterkwaliteit een stuk verbeterd (al zijn we er nog lang niet) en is de weidebeekjuffer weer op allerlei plekken te vinden, als sieraad van het beekdallandschap. Tot slot het beste nieuws: u hoeft niet per se naar de Drentsche Aa om hem te zien; het kan ook dichter bij huis in Noordenveld. De omgeving van de vistrappen in het Lieversche Diep (bij het Sterrebos) lijkt me de beste plek. Ook het Oostervoortsche Diep is kansrijk, en misschien komt u ze nog wel ergens anders tegen. Tenzij het nog langer zo droog blijft als in april en mei en de beken leeg raken… Maar even niet aan denken. (Foto’s: André Brasse)

Henk van den Brink, tekstschrijver, natuurliefhebber, vogelaar, voorzitter IVN Roden-Norg