Op je negentigste nog in de kerstbomenverkoop

‘Zodra ik een nieuwe knie heb, ga ik weer de tuin in’

Hendrik Jongsma is 90 jaar, maar nog altijd fit en actief. Niet alleen is hij in de lente en de zomer bijna dagelijks op zijn volkstuin te vinden, ook helpt hij nog elk jaar mee met de kerstbomenverkoop op het volkstuinencomplex in Roden. ‘Maar dit jaar even niet,’ zegt hij en hij wijst op zijn knie. ‘Mijn knie is versleten, ik word binnenkort geopereerd en dan krijg ik een nieuwe knie. Dan nog even zes weken revalideren en dan kan ik gewoon weer lopen.’

Jongsma mag dan momenteel tijdelijk met een rollator lopen, dan weerhoudt hem er niet van de deur uit te gaan. ‘Ik kan ook met de rollator flinke stukken lopen hoor. Maar als hij niet meer nodig is, dan gaat hij weer achter slot en grendel.’
Jongsma kwam 90 jaar geleden ter wereld in Wijnjewoude. Zijn ouders hadden een boerderij. Met 13 koeien. ‘Dertien koeien,’ grinnikt hij, ‘moet je nu eens om komen. We hadden ook nog een paar hectare landbouwgrond. En dan huurde mijn vader er nog wat grond bij. Daar verbouwden we dan aardappelen, rogge en haver op.’
Toen hij op zijn 15e van school kwam, ging Jongsma meteen aan het werk. ‘In de zuivelfabriek. Dat was wel even wennen. Ik moest ook melkmonsters nemen bij de boeren. Dat betekende regelmatig vroeg op, want die boeren begonnen ook vroeg. Ik moest er dan rond 4 uur ’s morgens zijn. Er was zelfs een boer bij die om 3 uur begon. Gelukkig hoefde dat niet elke dag.’
Jongsma werkte bij de zuivelfabriek, tot zijn broer naar Canada vertrok. ‘Tot die tijd was mijn broer bij mijn vader aan het werk, maar nu moest ik dat doen. Dus ik stopte bij de fabriek. Bij mijn vader kreeg ik niet betaald. Want ik hoorde bij het gezin. Zo ging dat.’

Zijn vrouw Jacobje ontmoette hij in Leek, op een zangconcours. ‘Ik vond haar leuk. Dus ik heb haar thuisgebracht.’ Toen het stel trouwde, trokken ze bij zijn ouders in. ‘Daarna huurden we een soort boerderijtje in Wijnjewoude. Dat kostte 3 gulden per week. Dat is weinig, maar het boerderijtje was ook niet veel; we hadden geen gas, geen elektriciteit en geen stromend water. Het enige water was regenwater dat in een tank werd opgevangen. Ik werkte in die tijd in een melkkannenfabriek. Maar dat was gevaarlijk werk. Toen ik op een dag zag dat een collega van mij twee vingers kwijtraakte omdat ze in de knel kwamen, besloot ik ander werk te gaan zoeken. Gelukkig maar, want ik heb ze allemaal nog.’
Jongsma en zijn vrouw kregen vier kinderen, drie zonen en een dochter. Inmiddels zijn er zeven kleinkinderen. ‘Zes meisjes en een jongen. Tja, de familienaam zal dan uiteindelijk wel uitsterven,’ grapt Jongsma.

Jongsma heeft altijd in de zuivel gezeten. Toen hij een baan kreeg als condenseur poedermaker bij de zuivelfabriek in ’s Heerenbroek, verhuisde het stel naar deze plaats. Daarna werd Jongsma aangenomen als condenseur in de melkfabriek in Roden. ‘Ik heb daar 17 jaar gewerkt. Daarna ging de fabriek dicht en moesten we allemaal iets anders zoeken. Ik kwam in Noordwijk terecht, daar werd ik eerste man boterconcentraat. Dat vond ik een hele fijne baan. Maar ik kreeg de kans om op mijn 59ste inde VUT te gaan, dus dat deed ik.’
Toen Jongsma thuis zat, wilde hij eerst even rustig nadenken over wat hij zou gaan doen met zijn vrije tijd. Dat werd uiteindelijk tuinieren. ‘Voor mezelf, maar ook hier en daar voor anderen. Ik heb ook al jaren een volkstuin. We hebben wel 50 zakken gesneden boterbonen in de vriezer. Heerlijk in de stamppot met spekjes. Ik houd de tuin ook gewoon lekker aan. Ik spit hem zelf niet meer om, maar de rest doe ik wel zelf. Het is gezellig op het complex. Je bent onder de mensen en het houdt je van de straat. Daarom help ik ook mee met de kerstbomenverkoop. Nou ja, behalve dit jaar dan.’
Naast tuinieren hielp Jongsma ook mee met inzamelingsacties voor Roemenië. ‘Daar kwam mijn zwager mee. Of ik mee wilde helpen. Dat leek me wel wat. Ik ben zelf ook tien keer in Roemenië geweest. We brachten spullen voor Roma-mensen. Die mensen waren zo arm. We hadden voedsel, kleding en meubilair mee. Daar waren ze hartstikke blij mee.’
Ook voor collectes lopen draaide hij zijn hand niet om. ‘En ik gaf ook niet op. Als ze niet thuis waren, ging ik er ’s avonds nog een keer naar toe. Ik liep voor de Alzheimerstichting en de Nierstichting.’
Op de vraag hoe het kan dat hij op zijn 90ste nog zo fit is haalt hij zijn schouders op. ‘Tja, een beetje in beweging blijven denk ik. Zodra ik een nieuwe knie heb, pak ik de tuin ook weer op. Ik heb er nu al zin in.’