‘Opkomst en ondergang van de Noordenveldse Hopcultuur’

RODEN – Geert Willems is de luis in de pels van politiek Noordenveld. Hij bezoekt vrijwel elke politieke bijeenkomst en vormt zichzelf vervolgens een mening.

Even wat anders. Twee driehonderd jaar geleden moet de nadering van de dorpen in onze streek een heel andere skyline getoond hebben. Wie op een mooie nazomeravond Peize naderde, zag duizenden staken, die metershoog naar de hemel rezen. De staken waren van ‘weekhout’ , wilgen-of elzenhout, waarlangs zich de hopplant, Humulus lupulus, slingerde. Deze hop was niet alleen voor het kerspel Peize, ook voor Roden en Eelde van grote economische betekenis. Het werd na de oogst in het najaar met vooral bootjes, zogenaamde snebbeschuitjes over het Peizer- en Eelderdiep en de Drentse Aa naar de stad Groningen vervoerd. Daar zaten veel brouwerijen langs de Hooge en Laage der Aa. Een van deze brouwers moet volgens de historicus Jan Naarding verantwoordelijk gehouden worden voor de introductie van de Hopteelt in de Noord Drentse plaatsen. Omstreeks 1450 komt aan ene Otto ter Hansouwe die eer toe. Hij bewoonde ook een landhuis op de rand van het Peizer Kerspel bij het Eelderdiep. Het huidige huize ter Hansouwe. Daarvoor werd in deze streken voor de bierbrouwerijen de zogenaamde Gruit geoogst. Een kruidenmengsel van gagel, rozemarijn, salie en laurierbessen. Later werd ontdekt, dat de hop voordelen boven de gruit had. Het gaf bier die typerende bittere smaak en het bier bleek aanmerkelijk beter te conserveren. Ook verbetert hop de schuimvorming. De befaamde schuimkraag vind hier zijn oorsprong. Met hop werd ongewenste melkzuurbacterievorming tegen gegaan. Bier was in de middeleeuwen de drank voor het hele gezin. Vooral in de steden. Schoon water was daar niet te krijgen. Bier was volksdrank nummer een. Historici beweren dat het alcoholpercentage aanmerkelijk lager lag dan nu… maar toch… Ons volk was massaal aan het bier… Bier moet gezien worden als een agrarisch product met gerst en hop als belangrijkste basisgrondstoffen. De bodem in Noord Drenthe bleek zeer geschikt voor de teelt van hop. Die bleek dicht bij de boerderijen voldoende leemhoudend en voorzien van een 40 cm dikke podzollaag. Er bleek echter veel mest nodig in de zogenaamde hoppekuilen, waar de stekken in geplant werden langs de staken. De mest van het vee bleek niet voldoende. Er moest vanuit de stad Groningen zg stratendrek worden ingevoerd. Een mengsel van stadse feacalien en vuil van de straat. Ook dit werd met bootjes aangevoord. In 1695 telde Peize 5 schippers aan het Peizerdiep… De teeltwijze en de oogst gold als zeer arbeidsintensief. Op hoogtijdagen werd het hele gezin ingeschakeld. Het leiden van de hoppestekken langs de staken met behulp van russen werd als "vrouwenwerk" beoordeeld(..). De oogst en het drogen was een kunst op zich. Dat moest niet te snel gebeuren, anders was het schadelijk voor het aroma van de hopbellen. Toch kon er met het gewas van alles misgaan. Een late nachtvorst in mei was funest voor de opgroeiende hopscheuten. Ook dreigden ziekten en plagen… het gewas werd ook bedreigd door spint, hopluis en -vlinder… ook schimmels, zoals zwartschimmel die groeide op de door de hopluis afgescheiden honingdauw. De oogst was een sociaal gebeuren, waaraan jong en oud deelnamen. J. Sloots, auteur van de scriptie ‘ de hop’ tekent uit de mond van een deelnemer op: "Dat er voorts braaf geklonken en gedronken, gezongen en gesprongen, en allerhande snakerijen bedreeven worden, is ligt te begrypen…"
Vanaf begin 19de eeuw was het langzamerhand gebeurd met de "snakerijen" bij de hopoogst. De omvang liep snel achteruit. Naar de oorzaak is veel gespeculeerd. Zo zou er moeilijker aan hopstaken te komen zijn. Lijkt mij sterk. Wilgen en elzen groeien er in deze streek in overvloed. Een andere reden zou de opkomst vanuit de Oost van koffie en thee zijn… koffie en thee, als alternatief voor bier…! Wie had dat gedacht…
Van de bronnen over de hopteelt het volgende. De nauwkeurigste komen van de hand van Jean Baptista Regemortes. Een landmeter, die als brouwer op de Zevenhuizer venen van van Ewsum zich opwerkte tot een verdienstelijke landmeter. Rond 1650 was hij actief in de kerspelen Eelde, Peize en Roden als inner van de grondschattingen. In de registers uit die tijd is zijn hand duidelijk te herkennen. Met een forse ganzeveer, maar met sierlijke stijl schreef hij wie hoeveel hoppekuilen bezat. Hij woonde in Roden in het Blauwe Huis, nu de plek van het Scheepstrakabinet. Kerspel Peize mocht dan verreweg de meeste hoppekuilen bezitten, Roden en Eelde deden volop mee. In Norg waren ze nauwelijks te vinden. In het wapen van de voormalige gemeente Peize kwam de vruchtkegel van de hop voor. Terecht. Vrijwel iedere inwoner van Peize bezat een akker hoppestaken. In de tijd van Regemortes, het hoogtepunt van de hopcultuur. Peize bezit ook nog aan het Noordse Pad een akker met hopstaken. Door de Historische Vereniging Pezie daar aangelegd. Een schaars beeld van een voorheen beeldbepalende hopcultuur. Nu vrijwel van de aardbodem verdwenen. In Noordenveld…