Over de grens

column-cees-over-de-grens

De afgelopen drie weken brachten we onze vakantie door in Oostenrijk. In Längenfeld om precies te zijn, dat ligt in het bloemrijke Ötztal. U weet wel, waar ze op het eind van het dal in 1991 op een hoogte van ruim 3200 meter (Tisenjoch) de ca. 5300 jaar oude ijsmummie Ötzi vonden (Fundstelle des ’Mannes vom Similaun’). Deze is nu te bezichtigen in Bolzano (Bozen) nadat het eerst in Innsbruck werd tentoongesteld. Die overplaatsing achtte men nodig nadat bekend werd dat de vondst net over de grens in Italië had plaatsgevonden.

Toch blijft het een beetje een Oostenrijkse vondst, hetgeen alles met een roemrucht verleden heeft te maken. Het hedendaagse Oostenrijk is nog maar een deel van wat het ooit was (het Habsburgse rijk). Onder andere is men in 1887 Zuid-Tirol aan Italië kwijtgeraakt, hetgeen men gezien de vele openbare verwijzingen nog altijd als een traumatische gebeurtenis ervaart. Zelf zijn we de ’Zuid-Tiroolse’ grens overgestoken en kwamen via Timmelsjoch in Moos terecht. Mose op zijn Italiaans, maar dat lees je slechts op het plaatsnaambord. Vandaar ook dat Bozen achter Bolzano, waarvan ik vermoed dat de Italiaanse naam bij de gemiddelde Nederlander beter bekend is. De naam Mose is het enige Italiaans aan Moos, want net als de rest van Zuid-Tirol is het er Duitstalig en qua cultuur nog Oostenrijks. Zeg maar dat het een historische vergissing is geweest dat dit deel Italiaans is geworden. Dat geldt ook voor het Duitstalige deel van de Elzas en zo zijn er veel meer voorbeelden te noemen. Zo zal ik het hier in dit verband maar niet over Vlaanderen hebben.

Dat Timmelsjoch is geen plaats, maar de grensovergang die op een hoogte van ruim 2474 meter ligt en waar je via een tolweg (à € 21,-) komt. Die ’Mautstelle’ is op 2171 meter hoogte gelegen en je komt daar via een klim die even voor Obergurgl begint. Voeg daarbij de spectaculaire afdaling naar Moos (op ca. 1000 meter) en een ’Motorradmuseum’ bij de Mautstelle, dan weet je dat je verzekerd bent van de komst van een enorm contingent sportieve motorrijders. Als outsider kreeg ik de indruk dat je hier als motorfanaat geweest moet zijn. En al die ’motards’ gaan daarheen via de enige doorgaande weg die door het Ötztal loopt, zulks tot groot verdriet van vele bewoners die overdag worden geconfronteerd met het geronk van motoren. Ze zullen het toch voor lief moeten nemen, want het is een onomkeerbare zaak dat die vele bikers daar rijden. Het is een onderdeel van het toerisme, een pijler waar de Oostenrijkse economie zwaar op leunt. Tijdens de tocht naar Moos waren er vele fotosessies, want niet alleen het landschap is er fascinerend, ook wat de natuur biedt (vooral planten) is zeer de moeite waard. Het kabaal van de motoren is dan niet leuk om op zo’n plek te horen, maar op een gegeven moment sluit je je daarvoor af. Van de vele wielerliefhebbers – wat moeten die lui daar ongelooflijk afzien! – heb je natuurlijk geen last, hoewel je als automobilist beducht moet zijn voor dalende ’wielrenners’ die bochten te ruim nemen.

Aan cultuur zijn we helemaal niet toegekomen. Eigenlijk omdat het er nauwelijks is. O.k. de kerk in Längenfeld hebben we uitvoerig van binnen en buiten bekeken. Deze kerk met een rank torentje springt er uit, want verder lijken de kerken in het dal allemaal op elkaar. Elk zichzelf respecterend plaatsje heeft wel een ’Heimatmuseum’, maar dat trekt bepaald niet. Dat gold ook voor het ’Ötzidorp’ in Umhausen, niet ver van Längenfeld, waar het altijd een drukte van belang was. Ik zat me nog wel af te vragen of ze daar aandacht schenken aan de bepaald slordige berging van Ötzi, waardoor nogal wat informatie verloren ging. Men had gewoon niet door dat de mummie zo oud was, vandaar. Onze aandacht ging dus vooral uit naar de alpenflora en kwamen wat dat betreft goed aan onze trekken. Als vogelliefhebber moest ik het stellen met minder dan 50 soorten, een aantal waarvoor je in Nederland je neus ophaalt, want op één goede dag kun je over de 100 komen. Enkele IVN-leden die ook in het Ötztal waren geweest keken op van de Notenkraker die ze er zagen. Die is in Nederland bekend van vroegere invasies uit Scandinavië. In de bergen is het een algemene broedvogel die zich een beetje gedraagt als boswachter. Zeg maar als onze Gaai.