Over draagkracht

Vorige keer berichtte ik over mijn reis per trein naar Den Haag om een zaak namens IVN Roden te verdedigen bij de Raad van State. Kort door de bocht ging het over de vraag of het college van b&w van Noordenveld vriendjespolitiek mag bedrijven of niet. Vanwege de zogenoemde discretionaire bevoegdheid die ze heeft mag dat kennelijk en komen b&w ermee weg. Dat de wijze waarop het is gebeurd weinig discreet was doet er dan niet toe.

Om me tijdens de reis te verpozen had ik dagblad Trouw meegenomen met daarin een artikel over de Oostvaardersplassen. Na de vertoning van de film ’De Nieuwe Wildernis’ van Ruben Smit ontstond (opnieuw) veel discussie. Dat ’het grote publiek’ er ook een mening over had was misschien wel het gevolg van het creperen in de film van dat zielige zwarte veulen. Eenmaal dood kwam er een Roodborstje langs die even bovenop het veulen ging zitten alsof hij afscheid van zijn vriendje nam. Zoiets ontroert en dan gaan emoties een rol spelen. Zoals bekend lopen er aan het begin van de winter iets van 4000 grazers (Heckrunderen, Konikpaarden en Edelherten) rond waarvan er meer dan een kwart van de dieren in deze periode creperen. Dat zien we gebeuren en laten het (voorlopig) gebeuren, maar de weerstand wordt steeds groter en er zijn andere zaken die zich aandienen. In zekere zin heeft de bioloog Frans Vera, de geestelijke vader van het gebied, wel gelijk gekregen, omdat hij voorspelde dat er na jaren van aanwas van dieren een kentering zou komen en de aantallen zich zouden gaan stabiliseren. Zo’n omheind gebied heeft door zijn grootte een bepaalde draagkracht dat door de beschikbaarheid van voedsel wordt bepaald. ’s Winters is dat gering en begint ’het grote sterven’ waarna de cyclus zich herhaalt.

Er was een goed plan om het gebied te verbinden met de Veluwe, hetgeen ten koste zou gaan van enkele boerenbedrijven, maar onder staatssecretaris Bleker werd dat plan getorpedeerd. In mijn ogen was Bleker een zichzelf overschattende politicus die zich vooral als een rancuneuze boer gedroeg. Natuur (en bijvoorbeeld een natuur beherende instantie als Staatsbosbeheer) was iets waarmee hij totaal geen affiniteit had. Sterker, vanwege akkefietjes in het verleden was er bij hem zelfs sprake van een sterke aversie met alles wat met natuur had te maken. Ook met de Veluwe erbij loop je tegen grenzen aan, zelfs wanneer je verdere ecologische verbindingen creëert: met de Gelderse Poort, de grens over met het Duitse Reichswald en andere grotere natuurgebieden verder Europa in. Maar voordat je daartoe zou willen overgaan moet er sowieso wel iets gebeuren met het aantal grazers dat er nu in de Oostvaardersplassen rondloopt. Daarover heeft de ecoloog Cornelissen (in dienst bij Staatsbosbeheer) een duidelijke mening. Volgens hem moet dat aantal met zeker 70% worden teruggebracht. Als je daarbij uitgaat van het aantal dieren in mei (ca. 2700) houd je er ongeveer 800 van over. Ik ben daar een groot voorstander van en het mag zelfs nog wel iets minder.

Tijdens de rit met de trein rijd je langs de Oostvaardersplassen en zag ik een grote dorre, troosteloze vlakte met grote groepen dieren die verloren in het landschap daar de boel kaal houden. Dat was eerder heel gevarieerd, met riet, struiken en bomen. Dat is het nu niet meer op het droge randgebied (2400 ha groot) van het reservaat dat in totaal 6000 ha omvat en dus voor 60% uit moerasgebied bestaat. Als die bomen en struiken weer de kans krijgen zich er te ontwikkelen wordt het gebied ook weer aantrekkelijk voor andere dieren, met name voor vogels. Ook voor mensen geldt dat het gebied dan aantrekkelijker wordt en vooruitlopend op de gewenste ontwikkeling waren er al bepaalde politieke partijen die pleitten voor recreatie langs (en in?) het gebied. Daar zouden toeristen worden gehuisvest in lodges (zo heet dat tegenwoordig), hotels en vakantieparken. Dat genereert geld is het motief van politici, zonder na te denken over de gevolgen voor de natuur. Maar voorlopig is het beeld dat u op de foto ziet, Schotse Hooglanders in een bosje met gezonde bomen aan de Osbroeksweg tussen Lieveren en Langelo, in de Oostvaardersplassen nog een utopie.