Pensioen, het is meer dan vrije tijd

Met een noodgang en vlak achter elkaar suizen we De Knobbel af. De Knobbel is een heuvel even voorbij ’t Harde. Zelf spreek ik liever van een berg, want eenmaal boven sta je toch op ruim 60 meter boven N.A.P. Dat is niet misselijk. Als we weer op vlak terrein zijn stoppen we even. ‘We reden wel veertig en dat zonder helm. In feite is dat onverantwoord’,  zegt Geertruida. ‘Op de racefiets had je toch altijd wel een helm op.’ ‘Ja en in militaire dienst ook‘, reageer ik. Verbaasd kijkt ze me aan. ‘Ik zie het verband niet. Wat heeft dat er nu mee te maken?’ ‘Eigenlijk niks. Maar we reden zonet voorbij de kazerne. Vandaar de associatie denk ik.’

September 1972.

Met tegenzin meld ik me bij de de kazerne. Het liefst was ik niet ingegaan op de uitnodiging om te verschijnen- ik had wel wat beters te doen- maar ik had gehoord dat je een dergelijke uitnodiging niet zomaar naast je neer kunt leggen. Sterker nog, als je er geen gehoor aan geeft, word je door een paar mannen met een busje van huis gehaald. Zo graag willen ze blijkbaar dat je komt. Ik snap dat eerlijk gezegd niet zo goed want aan mij zullen ze   vast niet veel hebben. Maar goed, als het dan toch per se moet en thuisblijven geen optie is neem ik wel de trein, want om in zo’n busje vervoerd te worden vind ik ook niks. Al snel blijkt dat ik niet de enige ben die voor de trein heeft gekozen. De coupés zitten stampvol met leeftijdgenoten. Alleen maar jongens zo te zien. Het zal toch niet zo zijn dat die allemaal net zo’n uitnodiging als ik hebben gekregen? Blijkbaar wel, in Amersfoort stapt de hele meute namelijk uit en met z’n allen lopen we in een lange colonne naar ons nieuwe, tijdelijke onderkomen. Op weg naar het onbekende. We hebben geen idee wat ons te wachten staat. Het begint meteen al fraai. Blijkbaar zien we er niet representatief genoeg uit, want zonder dat we erom gevraagd hebben krijgen we nieuwe kleren. Er zit veel groen bij. Heel veel groen. Bij de jongen die voor mij aan de beurt is valt het zo te horen niet in goede aarde:      ‘Ik heb hier best wel moeite mee, ik draag altijd blauw. Daar voel ik me nu eenmaal het prettigst bij. Dat is toch geen probleem neem ik aan?’ De man die de spullen uitdeelt is zo te zien not amused: ’Grappig, heel grappig! Daar moet je vooral mee doorgaan jongen, dan krijg je nog een leuke tijd hier.’ Snel aangebrand die man. Dan ben ik aan de beurt. ‘M’n rijcap en rijlaarzen heb ik thuisgelaten, die heeft u hier wel neem ik aan? ’vraag ik. Geërgerd kijkt de man me aan: ‘waar heb je het over?’ ‘We zijn hier toch bij de cavalerie en dat betekent toch dat we met paarden werken? Voor de zekerheid heb ik alvast een paar rijlessen genomen en kan al behoorlijk met zo’n beest overweg. Ik kan er al een paar uur achter elkaar op zitten.’ ‘Ook heel leuk’, is zijn reactie. ‘Wat ik zo zojuist zei geldt ook voor jou. Vooral zo doorgaan, dan ga je hier nog wat beleven. Maak je borst maar nat.’ Terwijl ik met m’n stapel nieuwe kleren plus een helm onder de arm wegloop hoor ik hem zeggen: ‘En met zulke lui moet je de oorlog winnen. Dat gaat ‘m dus niet worden.’ Nu, vijftig jaar later, kan ik alleen maar concluderen dat de man een juiste inschatting had gemaakt. Want wat heb je een stel ongemotiveerde dienstplichtigen zoals wij, die bovendien de grootste moeite hebben met het accepteren van gezag. Af en toe, als we het weer eens te bond hadden gemaakt, werden er weekendverloven ingetrokken,  maar dat namen we op de koop toe. Was het achteraf gezien een zorgeloze tijd? Voor ons wel, voor de legerleiding bepaald niet. Maakten we ons in die periode terecht nergens druk om? Ik denk het wel, we hadden geen flauw idee hoe de wereld er over vijftig jaar uit zou zien. Wie wel? Geertruida en ik hebben De Knobbel achter ons gelaten en in een wat rustiger tempo rijden we verder. Dan, een paar weken later. ‘Wat voor kleur helm neem jij?’ Geertruida’s vraag verrast me volledig. Het onderwerp helm is bij mij al helemaal naar de achtergrond verdwenen. Sterker nog, ik heb er geen moment meer over nagedacht. Maar ik laat me niet kennen: ’ik denk dat ik een zwarte neem, of een antracietgrijze. Jij dan?’ ‘Ik ga voor een veilige kleur’, zegt Geertruida. ‘Misschien neem ik wel een groene.’ We rijden nu al een paar maanden met helm en zijn er inmiddels helemaal aan gewend. We weten niet meer beter en het geeft toch een veiliger gevoel. Het wordt hoog tijd om weer eens van De Knobbel af te denderen. En dan dit keer met de helm op.