Plaatstrouw

column-cees-leucitische-merel

Voor mij is plaatstrouw een normaal woord (en begrip), maar Van Dale en het Groene Boekje maken er geen melding van. Zij maken er ’plaats trouw’ van, een merkwaardige vervorming. Hoe dan ook, het is simpel wat er mee wordt bedoeld: trouw zijn aan een bepaalde plek. Het is een begrip dat vooral in de dierenwereld wordt gebruikt. Eén keer kwam ik het tegen in het blad Noorderbreedte en daar ging het over de woonvoorkeur van mensen. Het bleek dat (volgens verwachting) meer dan 90% het liefst (sub)urbaan woont.

Mensen zijn tegenwoordig gemakkelijk te volgen, vooral door de technologische uitvindingen van nu. Dat geldt ook voor dieren. Zij worden tegenwoordig uitgerust met zendertjes en kunnen zo (via GPS) worden gevolgd. Zo kun je ongelooflijk veel aan de weet komen. Zaterdag leidde dat in het DvhN tot de melding dat mensen van de RU Groningen er achter waren gekomen dat Bonte vliegenvangers -uitgerust met ultralichte dataloggers- met een non-stopvlucht van 40 – 60 uur de Sahara overvliegen. Een knappe prestatie voor een vogeltje van 12 gram. Hiermee werd de suggestie weerlegd dat ze ’s nachts over de woestijn vliegen en overdag in de schaduw rusten.

In de tijd dat er nog geen sprake was van deze moderne technologie werden andere technieken toegepast om vogels te volgen. Kleurringen (met letters en/of cijfers) werden vaak gebruikt en dat gebeurt nu nog steeds. Tussen 1986 en 1988 werden bij circa 4000 jonge Zilvermeeuwen kleurringen aangebracht. Dat gebeurde in kolonies in de duingebieden van Noord- en Zuid-Holland. Veel jonge dieren komen al op jonge leeftijd om, maar er waren ook vele die knap oud werden. Er was één vogel bij die in Wassenaar werd geringd (in 1986) met als kenmerk ZDGA. Dat staat voor zwart D links en groen A rechts. Deze vogel heeft men maar liefst tot en met 2010 kunnen volgen. Aan de vorm van kop, snavellengte en postuur kon men bepalen dat het een man was. Een krasse knar dus. Alle waarnemingen (meer dan 100) vonden plaats in het Noord- en Zuid-Hollandse kustgebied en een aardige anekdote is dat hij vaak in Leiden bij het sluiten van de vismarkt werd gespot. Wat ook opviel was dat hij op hoge leeftijd een kale kop kreeg tijdens de rui, en zo ook goed herkenbaar was, maar daar goed van herstelde.

Op de foto ziet u een leucistische Merel afgebeeld. Tien jaar geleden schreef ik al eens een stukje over zo’n Merel die ergens in de bomenbuurt in Roden dood in een tuin werd gevonden nadat hij daar 10 jaar had rondgescharreld. De mensen die hem vonden en waar hij meestal vertoefde hebben er misschien nog altijd zicht op, want het beest is toen opgezet. Indertijd heb ik uitgelegd dat het witte een vorm van gedeeltelijk albinisme is. Zo’n leucistische vogel is natuurlijk door zijn kenmerkende kleed gemakkelijk te volgen. Drie jaar geleden werd ik door Jan en Alie Havedings (Dr. Naardingplantsoen) uit Roden gewezen op de leucistische Merel die u hierboven ziet. Dit mannetje (oranjegele snavel en oogring) is ook plaatstrouw en regelmatig te zien op de hoek van de Molenweg en het Prof. Van der Leeuwplantsoen. Uiteraard kunnen we deze vogel ook makkelijk volgen en zijn we benieuwd hoe oud hij wordt.

Ida Koning uit Zevenhuizen belde mij over een Merel waar ze dagelijks op een vervelende manier mee werd geconfronteerd. Het beest had namelijk de nare gewoonte om tegen een aantal ramen te tikken. Soms zelfs met een worm in de snavel en dan wordt de boel gauw smerig. Mevrouw vertelde er bij dat hij zelfs fladderend langs het raam omhoog vloog. Het is een bekend verschijnsel dat bij meer vogels wordt waargenomen. Ze zien zichzelf in het raam weerspiegeld en denken dat het een indringer in hun territorium is die verjaagd moet worden. Vandaar die (schijn)gevechten die hardnekkig kunnen doorgaan. Ik heb mevrouw geadviseerd de ramen zo af te dekken (met de Krant) dat ze niet meer weerspiegelen. Met succes, want ik kreeg te horen dat hij nog een keer kwam en daarna niet meer. De vijand was verjaagd.