Plasje van Nix

column-cees-plasje-van-Nix

Afgelopen vrijdag waren we met de Paddenstoelenwerkgroep van IVN Roden actief in het Elsburger Onland. Bij onze werkzaamheden in dit privéterrein werden we begeleid door Jaap de Boer en Frank Kruk die hier toezichthouder zijn en tevens beheersmaatregelen uitvoeren. Toen ik de foto maakte die u hierboven ziet afgebeeld vertelde Frank mij dat dit deel van het terrein bekend staat als het ’Plasje van Nix’.

Vanwege de geringe afmetingen van het plasje vond ik dat best een geslaagde naam, maar associeerde het natuurlijk met ’niks’ en niet met ’Nix’. Nou was het zo dat in het verleden op het terrein regelmatig ene meneer Nix vertoefde die hier graag viste. Daartoe werd zelfs een steigertje aangelegd waarvan de restanten nog zichtbaar zijn. Naar hem is dit plasje dus vernoemd. Zo zijn heel veel veldnamen ontstaan waarover zelfs boeken zijn geschreven. Een bekend werk wat dat betreft is dat van Hans Elerie en Theo Spek: ’Van Jeruzalem tot Ezelakker’, over de veldnamen als levend erfgoed in het Nationaal Landschap Drentsche Aa. Dit kloeke boek omvat 350 bladzijden, maar wanneer het over álle Drentse veldnamen zou gaan zou het waarschijnlijk vijf keer zo dik zijn.

Tijdens onze rondgang over het terrein ontwaarden we in een enorme wortelkluit van een omgevallen boom meerdere nestingangen van een IJsvogel. Vorig jaar hoorden we tijdens een flora-inventarisatie deze prachtige vogel daar al enkele keren en je mag ervan uitgaan dat hij hier toen heeft gebroed. Het bracht ons op een ander natuurfenomeen: de Otter. Ik vroeg of ze hier al een keer waren gesignaleerd, omdat dit gebied een ecologische schakel vormt tussen De Onlanden en het Paterswoldsemeer. In De Onlanden zijn ze nu al enkele jaren aanwezig en waarschijnlijk zijn er zelfs al jongen geboren. Het zijn zeer mobiele dieren en dus zou het zomaar kunnen dat ze hier waren gezien, maar dat was niet het geval. Vanwege hun mobiliteit gaat het soms mis, want vroeger, ik heb het over meer dan vijftig jaar geleden, heb ik daar op de Groningerweg een keer een doodgereden exemplaar zien liggen. Op die plek gebeurde dat wel meer, omdat ze van het Elsburger Onland wilden oversteken naar het Paterswoldsemeer en vice versa. De enige keer dat ik een levend exemplaar zag was 45 jaar geleden, toen het al hartstikke zeldzame dieren waren geworden. Dat was in het Kommerzijlsterrijt en betrof waarschijnlijk een uit koers geraakte Visotter, zoals ze toen nog werden genoemd.

Otters zijn uiterst schuwe dieren en vooral ’s nachts actief. De kans om er één waar te nemen is dan ook zeer gering, maar soms kun je geluk hebben en dat overkwam Hans Loggers uit Leek. Hij had de cursus ’Broedvogels van De Onlanden’ van IVN Roden gevolgd . Daar was Hans zeer content over schreef hij in een mailtje en ook dat hij vorige week in Roderwolde moest zijn en die gelegenheid te baat nam om nog even wat vogels in De Onlanden te spotten. Naast onder andere enkele Tapuiten had hij als natuurliefhebber tevens oog voor andere zaken bleek wel, want meldde hij: ”Maar het slotstuk/top was voor mij toch de blik over het Peizerdiep vanaf het fietsbruggetje bij Roderwolde. Een rimpeling in het water werd een boeggolf en toen een lang harig lichaam langs de rietkragen, een OTTER! Voor mij een première! Ik kom hier zeker terug”. Dat was mede de opzet van de cursus; mensen erop attenderen dat dichtbij huis van veel natuur valt te genieten. Dat deden wij vrijdag met onze paddenstoelenclub ook. Mensen kijken er vaak van op als ik meld hoeveel verschillende soorten we in deze tijd op zo’n dag zien. Dat waren er toch nog zo’n vijftig soorten. Nou moet u daarbij niet denken aan paddenstoelen als ’die rode met witte stippen’, hoewel er toch nog enkele ’echte’ (met steel en hoed) bijzaten. Eén ervan was het zeer zeldzame Vezelig mosklokje dat slechts bekend is van drie andere plekken en nieuw is voor Noord-Nederland. Dat ’nieuw’ gold ook voor het tevens zeer zeldzame Hulstbladstipje en het vrij zeldzame Loofbosspleetkooltje. Deze laatste zijn zogenaamde ascomyceten, waarvan we er een stuk of twintig vonden. Het zijn piepkleine (soms maar 1 mm groot) afbrekers van organisch materiaal. Alles in de natuur moet immers weer worden afgebroken, omdat we er anders in omkomen.