Proberen de zinloosheid van het bestaan een beetje zin te geven..

roden afscheid cruis willem niemeijer 7

Het tijdige voor het eeuwige; over Albert, Gerard, Willem en Jaap

NOORDENVELD – De stoel aan het hoofd van de tafel – de vaste plek- bleef akelig leeg, vorige week. Die stoel waar hij vorig jaar nog zat. Het was de laatste kerst samen. Pijnlijke momenten voor veel families tijdens de feestdagen. Het gemis is enorm. Die eerste keer zonder hem of haar. Het is en blijft één van de weinige en bepaald niet leuke zekerheden in het leven; dat je sterft. Iedereen komt aan de beurt. Soms is het goed; vaak is het veel te vroeg. 2015 was een jaar waarin het leek alsof er meer mensen het tijdige voor het eeuwige verwisselden. De overlijdensberichten, pagina’s vol, in de Krant leken het bewijs. Over het afscheid van Jaap, Willem, Gerard en Albert.

Hij had dit geweldig gevonden. Dat wist iedereen zeker. Al die vrienden. Bekenden in oldtimers. Het geluid van de motoren. Bijzondere kledij. Muziek. Mensen langs de kant van de weg. Het is eind juni, zaterdagmiddag. Willem Niemeijer wordt door z’n vrienden begeleid naar de Pompstee, waar straks een herdenkingsdienst voor hem gehouden wordt. Daarvoor maakt Willem – hij ligt in een kist achterop één van de auto’s- nog een ronde door Roden en Foxwolde. Langs de weg honderden en honderden mensen. Er klinkt applaus. Er vloeien tranen. Willem was nog jong. En geliefd.
Nietsvermoedende passanten denken dat het Rodermarkt is. Zoveel mensen op straat en op de terrassen. Geen koffie, maar een biertje. Op Willem.
Een paar dagen eerder.
Ze is bezorgd. Willem voelt zich al een tijdje niet helemaal jofel. Heeft last van z’n arm, is en was benauwd. Haar gevoel zegt dat het allemaal niet goed is. Het is zaterdagavond. Willem’s vrouw drinkt wat. Ze moest er echt even uit. Ook van Willem. Ook hij zag dat ze er aan toe was. Dat de stress en de zorgen – zeker om hem- haar opvraten. ‘Ga even weg. Even er uit’, had hij gezegd. Dat deed ze. De zorgen bleven echter. Alsof ze wist dat het toch niet goed kwam. Dat er iets te gebeuren stond. Het was toen zaterdag. Bijna zondag. Twee dagen later overleed haar man. Roden en wijde omgeving reageerden geschokt. Willem Niemeijer leek in de kracht van z’n leven. De vader, man, vriend en organisator was ineens niet meer. Roden huilde. Viccy het meest.
*

Voor de skihal stond hij. Ooit was hij burgemeester, nu vooral die lieve man. Een vraagbaak. Iemand aan wie je alles kon vragen, iemand die ook altijd antwoordde. Hij sprak over de scholen in Noordenveld. Over ‘zwarte’ scholen. Over het onderwijs en over het weer. Jaap keek wat pips. Hij had wat gezondheidsklachten gehad, maar krabbelde op. Dat hij hier nu stond, was het bewijs. Even de deur uit, frisse neus halen. En straks weer lekker helpen bij de boekenmarkt, al deed z’n vrouw- zo liet hij weten- daar veel meer voor.
‘Als je meer over ‘vroeger’ wilt weten, bel maar hè. Hoe is het met je boeken trouwens? Volgens mij heb ik ook nog ergens wat voetbalboeken liggen. Ik kijk wel even.’ Jaap loopt weg.
Een vrijdag in september. Opening van de Jaarbeurs van het Noorden. Jaap wandelt het Paviljoen binnen. Onopvallend, zoals altijd. Hij gaat zitten, schudt wat handjes, geniet en lacht als Jan Buiter meters de lucht in springt als hij hoort dat zijn bedrijf de ondernemersprijs heeft gewonnen. Dan gaat hij. Weg van de champagne en het bier. De volgende dag overlijdt hij. Jaap. Zomaar.
*
Nee. Het is niet koud. Nee, dat kan hij best zelf. Pijn? Ach, het gaat wel. Gerard zit aan een picknicktafeltje bij zijn maat. Petje op z’n hoofd, inmiddels zonder haar. Gerard is ziek, dat weet ondertussen iedereen, maar daar hoef je het met hem verder niet over te hebben. Er zijn – zo lijkt het- ergere dingen.
In werkelijkheid zijn er geen ergere dingen. Ruim twee jaar vocht Gerard tegen iets waar hij nooit van kon winnen. Tegen beter weten in. Alle experimentele behandelingen onderging hij. Als een man. Oersterk, al was de pijn soms niet te harden. En natuurlijk, soms zag zelfs hij het niet meer zitten. Dan mocht het wat hem betreft gedaan zijn. Totdat hij zijn vier jonge kinderen zag, zijn bedrijf. Dan vocht hij weer. Tot het – daadwerkelijk- bittere eind.
In de bloei van z’n leven, met opgroeiende kinderen, een goed draaiende zaak. Een hard gelag. Behalve vechten regelde Gerard al veel voor het moment waarop hij er zelf niet meer zou zijn. Ook dat was lood- en loodzwaar. Het waren- kortom- twee onmenselijk zware jaren die eindigden zoals we wisten: in een door een vriend getimmerde kist met houtsnippers. Want dat was wat hij wilde. Zijn tocht van de bedrijfsloods waar hij lag naar buiten werd vergezeld door het oorverdovende geluid van zaagmachines. Dat was een ‘Gerard grapje’. Had ie eens gedaan bij een huwelijk van een collega. Mensen vielen bijna van de stoel van de schrik. Nu waren de rollen omgedraaid. Collega’s die lawaai maakten. Gerard hoorde het niet meer.
*

‘Nee, ik ben niet al te fit. Ik weet niet wat het is. Zal wel griep zijn. Een hardnekkige.’ De glimlach die volgde, maakte het dat je geneigd was dat te geloven. Dat Albert inderdaad een griepje had. En ach, hij werd ook wat ouder ondertussen. Van een griepje bleek later echter geen sprake. Albert werd zoek. Krabbelde op. Werd nog zieker, werd weer wat beter maar overleed toch in 2015. Albert de Volksvermaker. De snor. Zo karakteristiek. Die gortdroge humor en die nauwkeurigheid. De brieven, de lijst met bouwwagens. Op Albert kon je rekenen. Altijd. Grieperig of niet.
Albert was een karakteristiek man. Die snor vooral, het stemgeluid. De condoleancedienst bij Onder de Linden werd druk bezocht. Als je wilde, kon je Albert nog even zien. Hij had z’n rust gevonden, maar ‘onze’ Albert was het niet meer. Die krijgen we niet terug. Nooit meer. Zijn maten van Volksvermaken droegen de kist. De mannen hadden het er moeilijk mee. Een maat, vriend en iemand waar je al zoveel mee beleefd heb, die wil je voor altijd bij je houden. Maar dat kan dus niet.

Wat restte waren die lege stoelen, hoe indrukwekkend de herdenkingsdiensten dan ook waren. Die honderden mensen langs de weg, het verzachtte het leed niet. Of slechts een heel klein beetje. Familie, vrienden, bekenden; ze begeleidden Gerard van zijn huis naar de Pompstee. Aan de fiets een zwart lint, in plaats van koffie en cake nu een beste borrel na afloop. De mooie woorden voor Jaap, hij hoorde ze niet. Kon hij dat nog maar.
En het blijft. Het verlies. Ook in 2016 zal het – helaas- weer aan de orde van de dag zijn. Bekende Noordenvelders en Leeksters, mensen die voor de buitenwereld minder bekend zijn, maar daarom niet minder geliefd. Voor de namen Jaap, Gerard, Albert en Willem kun je tal van andere namen invullen. Willekeurig. Pal voor kerst was het weer raak. Die onheilstijding. Die ziekte. K. Diagnose: een jaar. Misschien meer, eerder minder. De zinloosheid van het bestaan een hele klein beetje zin geven. Dat is wat we met het leven moeten doen. Voor de rest is het een kwestie van geluk. Van toeval. Eind 2016 zullen er weer heel wat stoelen onbezet blijven. Want dat is een andere zekerheid die we hebben: het wordt nooit meer zoals het was.