Receptuur voor Hollebolle Gijs

column-cees-houtduif (2)

De huidige (winter)periode is bij uitstek geschikt om allerlei achterstallige administratieve zaken te regelen. Vanachter mijn bureau zie ik uit over onze tuin met voederplaats. Dat leidt behoorlijk af, maar het leidt ook tot stof voor deze column en dat is dan weer mooi meegenomen. Vorige week meldde ik al dat een stuk of zes Houtduiven onze voederplaats bezoeken en zich als holle bolle gijzen gedragen. Door hun vraatzucht verdwijnt ongeveer 80% van het strooivoer in hun schijnbaar onmetelijke kroppen. En er kan altijd meer bij lijkt het.

Kennelijk hebben ze hun neefjes en nichtjes in de buurt op de hoogte gesteld dat het bij ons goed toeven is, want allengs groeide hun aantal. Eerst zes, toen acht, later tien en weer een dag later hadden we hier zelfs twaalf van die holle bolle gijzen rond waggelen. En vreten, niet normaal meer! Om de andere vogels aan bod te laten komen moest ik vier keer per dag voeren. Daar was ik op een gegeven moment zo flauw van dat ik elke keer als de eerste duif op de voederplek neerstreek, alras gevolgd door zijn trawanten, ze verjoeg. Dat kon gewoon door vanuit huis achter de ramen met mijn armen te zwaaien en desnoods daarbij wat bokkensprongen te maken. De voederplek ligt dan wel vijftien meter verderop, maar met hun pientere oogjes (foto) schijnen ze me goed in de gaten te houden. Soms weigeren ze weg te vliegen en dan is het voldoende om de deur te openen. Dat ze hier niet welkom zijn laat ik dan wel blijken, maar het vervelende is dat ze klaarblijkelijk over een zeer beperkt geheugen beschikken, want soms ondernemen ze al binnen een minuut een nieuwe poging om zich tegoed te doen aan het voer dat toch vooral voor andere vogels is bestemd. Dit kon gewoon zo niet langer voortduren.

Nou ben ik echt een vogelliefhebber, maar wel één met twee kanten. Er naar kijken en luisteren is de ene kant. Daarnaast moet ik bekennen niet vies te zijn van een lekker stukje vlees en daartoe behoort onder meer dat van onze gevederde vrienden. En laat nou toevallig duivenborstfilet één van mijn favoriete hapjes zijn! Niet dat van die patat etende tamme duiven, maar van (wilde) Houtduiven. In principe moet je die standaard 4 minuten per kant bakken, natuurlijk wel eerst met zout en peper bestrooien, en, hou het simpel, dien het op met een groentemix, stoofpeertjes en gebakken aardappeltjes. Heerlijk! Bij het aanschouwen van zoveel potentiële duivenborstfiletjes in onze tuin (echt scharrelvlees) slaat mijn fantasie op hol en komen tal van andere bereidingen in zicht om ook eens uit te proberen. Met zuurkool en katenspek bijvoorbeeld, of op zijn Limburgs met appelstroopjus. Een jus van eendenlever schijnt ook erg lekker te zijn en je kunt er heerlijke salades van maken, bijvoorbeeld met een Cumberland-, Madeira-, Riesling- of frambozensaus. Ik zag ergens een recept om het op Japanse wijze te bereiden (met een krokant korstje) en er schijnt een Spaanse soep van gemaakt te kunnen worden. Natuurlijk moet ik het een keer eten met paddenstoelen en met pata negra (een soort ham) is het zeker niet te versmaden. Terwijl ik dit schrijf loopt het water me al in de mond.

Er is wel een probleempje: hoe vang ik de duiven? Nou ken ik Arend Veenstra in Westervelde goed die vogels ringt, vooral weidevogels. Om ze te vangen gebruikt hij een slagnet. Misschien dat ik die een keer van hem mag lenen (voor het goede doel). Waarschijnlijk is dat net veel te groot, maar wellicht valt daar een mouw aan te passen. Dat moet dan nog worden bezien. Als het goed gaat, ik schets even het meest rooskleurige scenario, heb ik dat net maar één keer nodig en vang ik twaalf duiven in één keer. Een groot voordeel van mijn voorkeur voor duivenborstfilet, de rest van de duif doet er nauwelijks toe, is dat je ze niet hoeft te plukken. Gewoon villen en de filetjes er uit snijden, de vriezer in en klaar is Cees. Toch is er nog een probleempje dat opgelost dient te worden, want wie draait de duiven de nek om? Vroeger had ik daar weinig problemen mee wanneer ik gewonde vogels tegenkwam. Als die niet meer te redden waren verloste ik ze uit hun lijden. Dat ging me echter steeds meer tegenstaan en liet het later maar aan de natuur over. Ik kan mijn vrouw wel vragen of zij het wil doen, maar ik betwijfel sterk of dat gaat lukken. Misschien voelt een lezer zich geroepen me ermee te helpen.