Schier dagje

column-cees-schier

Met het verstrijken van steeds meer jaren kun je op mijn leeftijd met enig recht spreken over vroeger. Vroeger, toen ik pakweg 20 was, ging ik op zaterdag zeer regelmatig naar Schiermonnikoog. Dan pakte ik in Groningen de eerste (GADO)bus en nam de boot vanuit Lauwersoog, liep na aankomst zo’n beetje het hele eiland rond en stapte op het eind van de middag, niet eens afgepeigerd, weer op de boot. Tegenwoordig vertrek ik later, pak de fiets op de pier, leg de helft van weleer af en stap tamelijk moe weer op de boot.

Voor de inpoldering van de Lauwerszee vond de reis naar Schier plaats via Zoutkamp of zelfs Oostmahorn. Dat laatste had in principe mijn voorkeur, want in de haven bestierde Klaas Toxopeus een restaurant. Klaas was ook schipper op het reddingschip Insulinde van wat toen nog de KNZHRM heette. Over de vele reddingsacties kon hij goed vertellen, iets waarnaar je graag luisterde; althans wanneer hij aanwezig was. Volgens mij was hij familie van Jan Toxopeus, de laatste voogd van Rottumeroog. Deze laatste verliet noodgedwongen -en met grote tegenzin- in 1965 het eiland toen hij de pensioengerechtigde leeftijd had bereikt. Dat Rottumeroog een wandelend eiland is moge blijken uit het feit dat Toxopeus daar maar liefst 3 keer moest verhuizen, omdat de zee de huizen verzwolg. Zijn zoon voerde trouwens nog actie om het eiland te behouden, want volgens vader en zoon zou Rottumeroog zonder beheer in de Eems verdwijnen. Voorlopig ligt het eiland er nog steeds, zonder dat er veel aan onderhoud wordt gedaan.

Tegenwoordig ga ik nog een enkele keer naar Schiermonnikoog en vaste prik is dat we in het najaar met de vogelwerkgroep van IVN Roden er een dag naartoe gaan. Afgelopen zaterdag was het weer zover en van tevoren kijk je op bepaalde sites naar wat er eventueel op vogelgebied valt te scoren en deze keer had ik mijn hoop gevestigd op de Bladkoning. Dit vogeltje van het formaat Goudhaan(tje), en daaraan verwant, wordt momenteel overal in het land gezien, maar helaas tot op heden niet door mij. Op zich is dat niet erg, want enkele jaren geleden tijdens doortrek in oktober (dan worden ze het meest gezien), zag en hoorde ik enkele exemplaren. Voor de meesten zou het echter de eerste keer zijn en dat is altijd een bijzondere ervaring. Het kwam er deze dag niet van, maar daar staat altijd weer tegenover dat er wel iets anders wordt gezien waardoor deze onvergetelijk wordt. Voor velen was de Roodhalsgans (foto: Lia Snoek) namelijk een soort die ze voor het eerst zagen en vanwege de zeer fraaie kleuren en tekening vergaapten ze zich er aan.

Goedbeschouwd was dit het enige hoogtepunt van de dag, want de andere soorten die we zagen werden verwacht. Dat gold ook voor de Kleine zilverreiger, waarvan er soms enkele tientallen in de bomen aan de Westerplas zijn te zien; foerageren doen ze meestal op het Wad. Ik vertelde de deelnemers dat Kleine zilverreigers vroeger zeer gewild waren, omdat een toefje veren ervan, met spelden of een diadeem bevestigd, gestoken in het haar of op hoeden als versiering zo charmant stond. Dames van stand pronkten omstreeks 1920 graag met deze door de bekende Parijse modeontwerper Paul Poiret (1879 – 1944) bedachte Aigrette. Normaliter mag je op zo’n dag in deze tijd een stuk of 75 soorten verwachten, maar dan moet je er vrij fanatiek naar op zoek gaan. Het was echter heerlijk weer en het tempo lag daardoor vrij laag. Vanwege het geringe aantal soorten dat we onderweg zagen kan het dan gebeuren dat de meligheid toeslaat. Zo werd er geroepen: ”Ik zie de Koperwiek” en op het moment dat ik deze vogel wilde noteren werd er bij gezegd: ”Kijk daar staat hij”. Toen bleek dat het een zomerhuisje was dat zo heette. Ik besloot daarna het spel maar mee te spelen. Omdat de huurfietsen allemaal op elkaar lijken zoek ik altijd een fiets uit die goed herkenbaar is. Deze keer had ik een fiets met een lichte beschadiging aan het zadel. Toen we op een gegeven moment een klein eindje gingen wandelen zette ik een andere fiets op slot wat door de bezitter ervan werd opgemerkt. Hij zette mijn fiets op slot, lichtte de anderen stiekempjes in over ’mijn fout’ en wat gniffelden ze toen ik quasi onnozel mijn fiets van het slot probeerde te halen. ’Op zo’n fiets’ ging het dus en zo kom je de dag wel door.