Schilderen met stof en piepkleine borduursteekjes

‘Ik ging van het afbeelden van organen over op kleurrijke portretten’

RODEN – Pure vakmanschap en creativiteit. Dat stralen de textielschilderijen van Lena Nieborg uit. Wie snel kijkt, ziet een geschilderd tafereel. Wie meer tijd neemt om beter te kijken ziet reepjes stof die met minutieuze steekjes zijn vastgenaaid, soms over elkaar heen gelegd om een kleurverschil te genereren, en hier en daar afgewerkt met borduursteken.
‘Een kunstenares? Nee, dan ben ik zeker niet! Ik ben een amateurkunstenaar,’ zegt ze bescheiden maar beslist. Op de vraag wat het verschil is aarzelt ze. Haar man Ipe weet het wel: ‘Je wordt niet gesubsidieerd, dus ben je een amateur,’ zegt hij. Hij is het er duidelijk niet mee eens en komt met de portfolio van Lena aanlopen. Daarin is te zien dat ze in 1981 begon.
‘Ik heb altijd als verpleegkundige gewerkt. Toen ik trouwde moest ik stoppen met werken, dat was zo in die tijd. Er kwamen kinderen, maar toen die wat groter werden ben ik weer gaan werken. Door mijn vak was ik geïnteresseerd in anatomie. Dus ik begon met het namaken van plaatjes van organen uit een anatomieboek.’ Ze laat een werk zien waarin ze spierweefsel heeft afgebeeld. Als je eenmaal weet wat het is, is het duidelijk. Als je dat niet weet, is het overigens net zo mooi. Ze heeft – naast stof – ook gebruikgemaakt van gespannen draden die er als penstrepen uitzien, kettingsteken en kleine knoopjes van borduurgaren. Het werk is nog niet zo kleurrijk als de textielschilderijen die ze tegenwoordig maakt. ‘Ach ja, ik gebruikte wat ik had aan lapjes. Ik naaide ook wel kleren, dus ik had wel wat liggen.’ Op een gegeven moment had Lena de organen wel een beetje gezien. Op naar de uitwendige mens. ‘Ik ging cursus volgen bij Colette Berends. Ze leeft helaas niet meer. Daar heb ik kleuren leren gebruiken. Ik begon portretten te maken. Dat is voor mensen wat herkenbaarder. Ik vond dat kleurrijke erg leuk. Van Colette leerde ik ook om juist andere kleuren te gebruiken dan je normaal zou gebruiken.’
Lena gebruikt foto’s als inspiratie. ‘Ik kan niet tekenen, dus ik maak werk naar aanleiding van een foto. Bijvoorbeeld vakantiefoto’s.’
Ipe vult aan: ‘We hebben heel veel gereisd. Een van die foto’s heeft dit werk opgeleverd.’ Hij laat een prachtig kleurrijk textielschilderij zien van een straathoek met een theater en een muurschildering. ‘Dat is in Kopenhagen, in Christiania. Dat is een vrijstaatje, waar men zelf de wet handhaaft. Je mag er geen foto’s nemen, maar wisten wij veel. Dus we zetten deze kleurrijke muur op de foto en voor ik het wist werd mijn fototoestel uit mijn handen gerukt. Dat voelt niet goed, kan ik je vertellen. Gelukkig kreeg ik het weer terug toen ze zagen dat we geen mensen op de foto hadden gezet. Het leverde wel dit mooie werk op.’
Lena kan zich niet herinneren dat ze als kind als erg creatief was. ‘Ipe was leraar handenarbeid. Samen zijn we veel naar kunst gaan kijken, dat was wel een stimulans. We gingen naar musea en tentoonstellingen. Hij bemoeit zich niet met mijn werk, maar wel als ik hem vraag, natuurlijk.’
Beginnen aan een nieuw werk is altijd een drempel voor Lena. ‘Ja, daar moet ik altijd even doorheen. Maar als ik eenmaal met een werk bezig ben, dan vind ik het heerlijk. Het is enorm meditatief. Ik ben ook maanden met een schilderij bezig, het is heel veel werk. Voorlopig ga ik nog lekker door. Ik heb niet de neiging om aan iets anders te beginnen, dit is veel te leuk. De frequentie neemt wel wat af, maar dat zal met de leeftijd te maken hebben. Ik neem wat meer de tijd voor dingen. Wat ik nog wel eens zou willen maken is  de Guernica van Picasso. Maar eens kijken of dat ervan komt.’