Slappe hap

Na een regenbui is het heerlijk om even de tuin in te lopen. Het ruikt lekker fris en de kleuren lijken intenser. Na een paar stappen op het tuinpad, hoor je vaak al het eerste gekraak onder je schoen. Grote kans dat je net een slakkenhuis met slak hebt geplet. De rest van de tuinroute moet je, slalommend en springend, tussen de slakken door je weg zoeken.

Slakken zijn weekdieren. Ze zijn zacht, bestaan grotendeels uit water, hebben geen botten en zijn kwetsbaar. Veel slakken hebben daarom een slakkenhuis. Het beschermt ze tegen uitdrogen en vijanden, zoals vogels en kikkers. Dreigt er gevaar, dan trekt hij zich terug in zijn huisje. Slakjes hebben al een dun, zacht huisje als ze uit het eitje komen. Hoe ouder de slak, hoe groter zijn huisje wordt. Als je goed kijkt kun je de ‘groeiribbels’ op het huisje zien. Slakken houden van koele en vochtige plekken. Je vindt ze daarom vaak tussen planten, oud hout en onder bloempotranden. Ze houden niet van zon en komen tevoorschijn als het vochtig is. Er zijn ook slakken zonder huisje dat noemen we naaktslakken. Zij hebben vaak een slijmerige huid die het tegen uitdrogen beschermt.

Slakken bewegen zich voort met hun ‘voet’. Een grote sterke spier die hij kan samentrekken en weer ontspannen. Zo glijdt hij langzaam vooruit over een laagje zelfgemaakt slijm. Dat beschermt hem tevens tegen onregelmatigheden op de ondergrond. Vaak zie je een slakkenspoor achter een slak of uitgedroogd, glinsterend op de muur. Met vier voelsprieten tast hij zijn omgeving af. Op de twee grote voelsprieten zitten de ogen en met de kleine voelsprieten kan hij ruiken. Onder de ogen zit de mond met op de tong duizend kleine tandjes. Hiermee kan de slak zijn voedsel ‘raspen’. Slakken zijn mannelijk én vrouwelijk. Ze kunnen andere slakken bevruchten en sommige ook zichzelf.

Slakken worden vaak gezien als plaagdieren omdat ze onze borders oppeuzelen. Maar lang niet alle slakkensoorten vinden jouw planten lekker. Zij eten liever verrotte plantenresten en helpen je je tuin schoon te houden. Slakken worden op hun beurt ook gegeten. Egels, vogels, spitsmuizen, padden en kikkers bijvoorbeeld eten graag slakken. Die houden wel van een slappe hap. Dus als je last hebt van slakken, haal dan deze natuurlijke vijanden naar je tuin. Zorg bijvoorbeeld voor schuilplaatsen met stapels takken, een tuinvijvertje en maak je tuin geschikt voor egels door een openingen in de tuinschutting te maken.

Je kunt ook planten poten waar slakken een hekel aan hebben. Denk daarbij aan akelei, goudsbloem, geranium, anjer, viooltjes, varens, Oost-Indische kers, lavendel en kruiden als salie, tijm en knoflook. Daarmee jaag je op een milieuvriendelijke wijze slakken uit je tuin. Gebruik liever geen zout, bier of slakkenkorrels. De slakken sterven een vreselijke dood door uitdroging of verdrinking.

Ook mensen eten slakken. Je moet er van houden zullen we maar zeggen. Gekookte landslak trekt mij niet aan op een menukaart. Fransen noemen het Escargots met kruidenboter. Dat klinkt lekkerder maar is hetzelfde en blijft voor mij een slappe hap. Tip, eet ze niet rauw want er kunnen parasieten in zitten en wellicht hebben ze bij je buurman net een maaltijd giftige slakkenkorrels gegeten.

Ik baal er overigens ook van als onze Hortensia en kruidentuin door slakken worden kaalgevreten. Daarom loop ik, na een regelbui, regelmatig het rondje door de tuin. Ik verzamel de slakken in een bakje en breng ze naar een plek waar ik ze weer los laat.

Andre Brasse, juli 201