Statistiek

column-cees-statistiek

Om te weten hoe het er met de natuur voorstaat is het goed regelmatig onderzoek te plegen en dit cijfermatig vast te leggen. Wanneer je het op steeds dezelfde plek doet volgens vaste regels en dit over een lange reeks van jaren volhoudt krijg je een steeds beter overzicht. Hoe langer de reeks hoe beter het inzicht. Zo kom je er bijvoorbeeld achter hoe het met de broedvogels in Nederland gaat, met de fauna en flora, maar ook met paddenstoelen.

Afgelopen zaterdag stond in het DvhN een artikeltje met als kop: ”Steeds minder paddenstoelen”. Dat blijkt althans uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Deze organisatie verwerkt de gegevens die worden verzameld door vrijwilligers die meedoen aan het Paddenstoelenmeetnet van de Nederlandse Mycologische Vereniging (NMV). Op pakweg 600 vaste, afgebakende meetpunten in heel Nederland wordt sinds 1999 het voorkomen van 112 verschillende soorten paddenstoelen gemonitord. Dat gebeurt vanaf juli en gaat door tot het eind van het jaar, zolang het weer het toestaat. Eerst werden de in het veld verzamelde gegevens thuis op formulieren ingevuld en in december bij de coördinator van het NMV-project, dat is nu Menno Boomsluiter, ingeleverd. Dat was nogal een papierwinkel en is daarom afgeschaft. Tegenwoordig moeten de vrijwilligers hun resultaten elektronisch aanleveren. Menno, en andere mensen van de NMV, beoordelen samen met medewerkers van het CBS de gegevens en kennelijk werd het noodzakelijk geacht nu maar eens naar buiten te treden met bepaalde negatieve tendensen.

Sinds de start van het Paddenstoelenmeetnet is het voorkomen van de Vliegenzwam (die rooie met witte stippen) met maar liefst 63% afgenomen. Met een andere bekende soort, het Gewoon eekhoorntjesbrood, gaat het tevens niet goed, afname 39%. Ook met de smakelijke Cantharel, die officieel Hanenkam heet, gaat het bergafwaarts. Daar staan positieve cijfers van andere soorten tegenover, maar die geven juist het probleem aan waar we tegenwoordig (opnieuw) steeds meer mee hebben te maken. Het zijn soorten die goed gedijen bij een overvloed aan stikstof. Zeg maar dat het de brandnetels onder de paddenstoelen zijn. Brandnetels gedijen immers ook het best in een door stikstof verrijkt milieu. Een toename van stikstof is ronduit slecht voor de natuur in algemene zin, want alles houdt verband met elkaar. Als bossen, heiden en vennen enzovoort beginnen te kwijnen gaat het met andere organismen die er in leven en afhankelijk van zijn ook slecht. Men zal op de burelen van de NMV en het CBS gedacht hebben dat het de hoogste tijd is om de noodklok te luiden.

De oorzaak van de toename van de hoeveelheid stikstof wordt geweten aan de grote hoeveelheden mest van de gigantisch gegroeide veestapel in ons land. Boomsluiter vervat het plastisch: ”Nederland zinkt weg in de stront, voornamelijk door de bio-industrie”. Zelf omschreef ik het probleem enkele jaren geleden al, met een knipoog naar de titel van een roman van Max Dendermonde, als volgt: ”Nederland gaat aan schijt ten onder”. De mestproblematiek is al eens eerder aan de orde geweest en het leek op een bepaald moment iets beter te gaan, maar nu blijkt uit de statistieken overduidelijk dat er weer sprake is van een ommekeer.

De tendensen hadden boven dit stukje best in een grafiek kunnen worden weergegeven, maar dat vond ik een beetje saai. De problematiek is hierboven wel duidelijk genoeg beschreven. De foto maakte ik afgelopen zondag in een park in Nieuwe Pekela waar we met de Mycologische Werkgroep Groningen een inventarisatie verrichtten. Het is een prachtige, rood verkleurende esdoorn, een echt herfstplaatje. Twee dagen eerder waren we rondom het Hoornse Meer op stap met onze eigen paddenstoelenwerkgroep van IVN Roden. Daar geldt een strikt hondenbeleid. Het is logisch dat in het recreatieseizoen, van april t/m september, honden slechts op bepaalde terreinen (aangelijnd) welkom zijn, maar daarna gaan kennelijk de remmen los. In onze groep waren enkele leden die zich vreselijk stoorden aan sommige loslopende, opdringerige honden. Voor hen werd het duidelijk dat er nogal wat baasjes (en bazinnen) rondlopen die hun hond(en) niet corrigeren wanneer dit wenselijk is.