Tijd voor een Ministerie van Humor

Raad van Noordenveld

Op het Boekenbal te Amsterdam heeft het enge grachtengordelkliekje zich afgelopen week een stuk in hun kraag gezopen, dus u weet al genoeg: de Boekenweek is weer begonnen. Dit jaar luidt het thema ‘Rebellen & Dwarsdenkers’. Hoe ik hier – in een column die doorgaans over de Noordenveldse politiek gaat – opeens bij kom, heeft met Gerbrant Fennema te maken.

Dat zit zo: een paar weken terug ontving ik Fennema op de redactie van De Krant. Voor de rubriek ‘Noordenvelders’ kwam het enige lid van de D66 fractie graag even naar Roden gefietst. Ik vind Fennema een kleurrijke man, al weet ik niet zeker of hij ook als ‘rebel’ kan worden omschreven. Ik noem Fennema expres niet ‘aardig’, want voor een politicus is dat dodelijk. In ieder geval leek het me zeer aardig om hem eens voor die rubriek te vragen en spijt kreeg ik er niet van. Het werd een leuk onderhoud over van alles en nog wat, en de ‘dwarsdenker’ (want dat is hij ontegenzeggelijk) besloot ons gesprek met de woorden dat er ‘eigenlijk iedere dag wel wat te lachen valt’.

Mooie woorden vond (en vind) ik. Woorden die in deze dagen van coronavirus misschien nóg raker zijn. Iedere dag kan er gelachen worden, daar ben ik wel achter. Op mijn vraag of er meer gelachen móet worden, bleef Fennema mij het antwoord schuldig. Immers: ‘lachen om het lachen is ook niet goed’. Had hij ook weer gelijk in.

Ik ken veel grappige mensen. Jongens om wie ik onbedaarlijk kan lachen als ze in goede vorm verkeren. Roy, Eric, Martijn: zomaar drie jongens voor wiens humor ik een zwak heb. Maar als ik iemand zou moeten aanwijzen met de meeste humor, dan is het Geert. We zijn praktisch buren, Geert en ik. Desondanks zien we elkaar niet heel veel. Geert is een huismus en ik natuurlijk een sociale kameleon. Geert zit liever met zijn kleinzoon binnen, dan dat hij zich in zijn vrije tijd op plekken begeeft waar ik graag uithang. Bij de voetbalclub komt hij ook niet vaak meer, al zou je dat wel denken als je hem hoort praten.

Eens per jaar wip ik op een mooie zomerdag even langs. Even kijken hoe het met Geert is. Die ligt dan languit voor de buis de Tour te kijken. De tv staat binnen aan en Geert kijkt buiten, zodat hij van het weer en zijn sjekkie kan genieten. Wat volgt is een middag wielrennen kijken met op de achtergrond (of voorgrond, zo u wilt) de rijke anekdotes van Geert. Over die keer dat hij zogenaamd mijn vaders voorwiel eruit had gesleuteld bij de sporthal, om er de volgende dag achter te komen dat hij de verkeerde fiets had gepakt. Of over de keer dat hij een waterpas bij iemand op de oprit gooide die op dat moment druk bezig was een schutting neer te zetten. Zonder ook maar iets te zeggen, wees hij op de ietwat scheefstaande constructie. De verhalen zijn eindeloos en doorspekt met humor. Geert mag ook zichzelf graag een verhaal horen vertellen en is door de jaren heen een begenadigd causeur geworden. Vaak is het alweer donker als ik richting huis wandel. Eenmaal thuis kan ik terugkijken op een geslaagde dag en vaak grinnik ik mezelf in slaap.

Geert is een rebel en een dwarsdenker in één. Dat leverde hem naast een hoop vrienden, ook een aantal vijanden op. Onvermijdelijk. In gesprek met Noordenveldleest vroeg ik hen of er nog veel rebellen en dwarsdenkers waren. Dat werd hard minder, concludeerden zij. En juist daarom moeten wij zulke exemplaren juist koesteren. Zo ook Geert, al zou ik het zelf nooit zo tegen hem zeggen.

Kleurrijke figuren zijn in de landelijke politiek schaars, maar op lokaal niveau zijn ze er nog genoeg. Ik noem een Fennema als voorbeeld, maar ik kan er zo nog een aantal aanwijzen. Pas nu, terugkijkend op mijn gesprek met Fennema, bedenk ik mij dat het misschien eens tijd wordt voor een apart ministerie voor humor. Een ministerie wat nauwlettend in de gaten houdt of wij wel genoeg lachen. Of er überhaupt nog mág worden gelachen, om de vele absurditeiten in ons prachtige landje. Het ministerie moet ondertussen in de gaten houden of we niet te lange tenen krijgen, zodat de humor kan worden gewaarborgd. Beroepsgekwetsten krijgen een brief wanneer zij weer publiekelijk lopen te wenen over harde grappen en wie niet aan zijn ‘lachtaks’ komt, kan eveneens een brief verwachten.

Het klinkt wat rigoureus en waarschijnlijk overbodig, maar ik zie een dergelijk ministerie helemaal zitten. Dat zorgt meteen voor een beetje meer reuring in Den Haag. Lijkt me dan helemaal mooi als we het kantoor van de Minister van Humor naast het kantoor van de SGP plaatsen. Dat levert ongetwijfeld een hoop hilariteit op. Wat voor hilariteit? Geen idee, dat kan de minister zelf waarschijnlijk het beste inschatten. Daarvoor ziet ie er immers. Wie die minister moet worden? Da’s logisch. Geert natuurlijk.

Meepraten? Twitter: @MathijsRenkema