Uit het Roner Archief: invoering zomertijd in Roden

Aan het einde van deze maand gaan we weer over op de zomertijd. Voorafgaand hieraan zal ook nu weer vrijwel zeker discussie ontstaan over de voor-en nadelen hiervan. Geen nieuw fenomeen. De klok gedurende de zomermaanden een uur vooruit draaien leverde ook voor bijna honderd jaar terug al weerstand op in Roden. Bijvoorbeeld in de gemeenteraad, die in 1922 grote moeite had met de toepassing van de zomertijd. De landbouwlobby en een inwonersgroep waren sterk gekant tegen de invoering. Burgemeester Van Wageningen moest alles uit de kast halen om het voorstel door de Raad te slepen.

Het eerste serieuze voorstel voor de zomertijd komt in 1907 van een Engelsman, maar de eerste praktische toepassing wordt in de eerste wereldoorlog, door de Duitsers ingevoerd. Zomertijd wordt in Nederland al vanaf 1916 toegepast en jaarlijks herhaald. Onderbrekingen waren er in de jaren 1941 en 1942 en van 1947 t/m 1976.

Ook Roden krijgt met de zomertijd te maken. Vele inwoners hebben moeite met deze tijd en in mei 1921 verzoeken 248 Roners de gemeente, “den ouden tijd” in het belang van de landbouw en de schoolkinderen te handhaven. In de raadsvergadering wordt het verzoek besproken. Deodatus komt met het idee, de school een uur later te laten beginnen en een uur later te laten eindigen. Enkele raadsleden bestrijden dit idee, waarop de burgemeester zegt, dat het leerplan van de verschillende scholen gewijzigd zou moeten worden. Dit behoort niet tot de competentie van de Raad, maar van Burgemeester en Wethouders in overleg met de schoolhoofden. Hagenauw brengt naar voren, dat de kinderen wegens vervroeging van de tijd soms in school zitten te suffen. Polling betoogt, dat de ouders zich vaak moeten regelen naar de kinderen, daarom is het nodig, dat de school een uur later begint. Hoenderken tenslotte kan zich voorstellen, dat de landbouwers bezwaar hebben tegen de nieuwe tijd, maar meent dat dit kan worden opgelost, door de werkuren anders te regelen. De burgemeester zegt, dat de nieuwe tijdregeling bij wet is vastgesteld en dat noch de Raad noch Burgemeester en Wethouders daaraan iets kunnen veranderen. De mogelijkheid tot wijziging van het leerplan zal worden bezien. Uiteindelijk verandert er niets, maar de zomertijd houdt de gemoederen wel bezig.

In mei 1922 verzoekt het Drentsch Landbouw Genootschap de gemeente, de schooltijden te verschuiven. De plaatselijke schoolcommissie oordeelt in een uitvoerig rapport, dat niet de verwachte voordelen zullen worden bereikt, maar dat er meer last en verwarring zal ontstaan. Indien de schooltijd een uur wordt verschoven, zal dit o.a. het volgende opleveren:

  • de morgenschooltijd loopt niet meer van 9 tot 12, maar van 10 tot 13 uur, hetgeen verlies voor het onderwijs betekent.
  • voor ouders met kinderen op scholen binnen en buiten de gemeente zal dit problemen geven.
  • het handwerkonderwijs na de middagschooltijd zal moeten worden gegeven tussen 5 en 6 uur, zodat de verst afwonende meisjes pas om 7 uur thuis komen.
  • het grootste deel van de inwoners, die zich aan de nieuwe tijdsregeling hebben aangepast, moet de getroffen maatregelen weer wijzigen en zich schikken naar een minderheid.

De burgemeester verklaart nog eens, dat deze zaak behoort tot de competentie van Burgemeester en Wethouders, maar wil het toch nog eens in de Raad bespreken. Dit levert de nodige voor- en tegenstanders op. Raadslid Vroom gaat akkoord, maar wil voor volgend jaar toch tegen de zomertijd stemmen. Deodatus wijst nog eens op de nadelen voor de landbouw bij het invoeren van de zomertijd en Hoenderken is van mening, dat de schooltijdregeling niet moet worden veranderd. Het voorstel van het Drentsch Landbouw Genootschap wordt in stemming gebracht en met een kleine meerderheid afgewezen.

Ook  Roden accepteert de zomertijd. 

Roder schooljeugd, die in school zou zitten te suffen volgens raadslid Hagenauw, poseren op de ‘snaaischoef’ op de Brink in 1920.   (Fotoarchief K.A. Hagenouw)

Uit het archief van de Historische Vereniging ‘Roon’