Uitzien naar…

Nu we in de tweede lentemaand zijn beland barst de natuur echt los. Dat is dan ook de maand waarop ik me altijd het meest verheug en naar uitzie. Niets ten nadele van de andere maanden, ze zijn me even lief, maar het is de veelheid aan allerlei organismen die zich in deze tijd manifesteren. Ook in maart, de eerste lentemaand, en eerder valt er van allerlei natuurzaken te genieten, maar qua veelzijdigheid valt dat in het niet bij april.

Nou zeg ik wel dat alle maanden me even lief zijn, maar op de keper beschouwd heb ik het een tikkeltje minder op met de winterperiode. Dan trek je er toch niet zo vaak op uit, al was het maar vanwege de weersomstandigheden en daardoor het verminderde aanbod dat de natuur je schenkt. Bij goed weer, en zeker in maart, begint het echter weer te kriebelen, vooral als de eerste lenteboden zich aandienen. Zo’n Klein hoefblad (foto: Bertus van der Velde) is er een exponent van dat zich soms al aandient in februari, maar meestal in maart. En zeg nou zelf, deze bloemetjes stralen je echt tegemoet; daar word je gewoon ontzettend vrolijk van. Ook word ik vrolijk van terugkerende zomergasten. Ik schreef al over een groot aantal zingende mannetjes van de Tjiftjaf in de Kleibos die daar als het ware van de ene op de andere dag waren. Je zegt dan wel zingende mannetjes, maar veel stelt het niet voor: ”Tjiftjaf, tjiftjaf, tjiftjaf” en dat is het dan wel. Afgelopen zondag was ik er weer met een mooie groep mensen en hoorde daar voor het eerst een zingende Zwartkop die heel wat meer noten op zijn zang heeft. Gezien had ik hem al twee weken eerder, maar toen zong hij nog niet.

Een ander teruggekeerd zangvogeltje daar was de Fitis. Die heeft een opvallende in toonhoogte aflopende riedel. Daar staat me nog van bij dat ’baardmannetje’ Nico de Haan dat omschreef als: ”Je hoort me wel, maar je ziet me niet”. Als je zo’n zinnetje uitspreek begin je ook hoog en eindig je laag. Net als de Fitis zijn liedje. De tekst dekt trouwens vaak de lading, want probeer maar eens zo’n klein zingend vogeltje te ontdekken. Nu lukt dat vrij goed, omdat er nog nauwelijks blad aan de bomen en struiken zit, maar over een tijdje valt dat smerig tegen. Het is me wel eens overkomen dat ik tijdens een inventarisatie mijn kijker was vergeten en absoluut geen zin had om die nog op te halen. Op het eind van de inventarisatie kom je er dan achter hem helemaal niet gemist te hebben. Je moet de vogeltjes toch op zang en geluid determineren. Wat de laatste tijd een ietsje problematischer wordt is het lokaliseren van een zingende of roepende vogel. Dat wordt af en toe een beetje gokken. Op zich is dat geen probleem, want bij het digitaal invoeren van de gegevens wordt een zogenoemde fusieafstand gehanteerd waarbinnen een vogel actief is. Tegenwoordig is het sowieso geweldig dat je zelf niets meer hoeft te berekenen om er achter te komen waar en hoeveel broedgevallen er van een bepaalde vogelsoort zijn. Knappe koppen hebben een systeem bedacht dat het allemaal uitrekent. Daar zullen best wel wat foutjes inzitten, maar veel zijn het er vast niet. Overigens zijn er best af en toe nog wel problemen, want eenmaal achter mijn computer kan er van alles en nog wat fout gaan, maar ook dat wordt wel weer opgelost.

In het harnas

Die onhandigheid met computers, en alles eromheen, komt (veel) meer voor. Ik las het terug in het in memoriam van Maria Wijnands-Hovingh over haar opa Henk Hendriks. Lang niet alle stukjes in de Krant lees ik maar die van Henk altijd wel. Voor mijn papieren archief trek ik de pagina met Puur Natuur eruit en had het stukje van Henk er dan altijd bij, totdat de opzet van de Krant was gewijzigd, maar dan wist ik dat hij een pagina ervoor zat. Af en toe kwam ik hem tegen bij de super en vertelde hem dat ik ze las. Vond hij best mooi. Zelf vertelde hij de Krant te spellen. Vorige week miste ik zijn stukje en las iets verderop dat hij was overleden. Voor mij een complete verrassing, want de contacten waren summier. Wat ik aan hem bewonderde was zijn ongedwongen stijl en, bovenal, zijn gedrevenheid om tot het bittere eind te blijven schrijven. In het harnas gestorven heet dat.