Verhaal Arie Egberts in documentaire

DKT_DKT-p11.pdf - Adobe Acrobat Pro

‘Het moet een verschrikkelijke periode voor hem zijn geweest’

NORG /VEENHUIZEN – De in Norg woonachtige Arie Egberts heeft een bijzonder triest verhaal in de oorlogsjaren in Veenhuizen meegemaakt. Als kleine jongen zag hij zijn vader gearresteerd worden door de Duitsers. Later vernam hij dat zijn vader in Konzentrationslager Neungamme nabij Hamburg was omgebracht.

Dit verhaal, al eens in 2010 opgetekend door De Krant, krijgt nu een vervolg in een documentaire. Stichting Beeldlijn zal de documentaire op donderdag 11 september in het Gevangenismuseum in Veenhuizen presenteren. Mariët Meester, schrijfster van beroep, is samen met haar man Jaap de Ruig betrokken bij het maken van deze documentaire. Haar boek ‘Koloniekak’ diende als uitgangspunt voor de filmmakers. Tevens zal Mariët Meester haar nieuwe roman ‘Hollands Siberië’ op deze zelfde dag publiceren. De avond wordt ingeleid door Kenneth van Zijl, presentator van het tv programma Knetterende Letteren van de NTR/Cultura 24. De documentaire zal onder andere door RTVDrenthe worden uitgezonden. Ook het verhaal van Arie Egberts zal in de documentaire naar voren komen.

Opnames van de documentaire werden gemaakt nabij de oude poort van het Gevangenismuseum en het cellencomplex. De opnames vonden vorig jaar plaats. In juni van dit jaar vonden nog extra opnames plaats. ‘Mijn vader was hoofd van het cellencomplex. Ik heb daar als kind veel vertoefd,’ laat Arie Egberts weten. ‘Wanneer het regende op vrije dagen van school konden wij als kind in het cellencomplex rolschaatsen of tekenen op kantoor. Ook in de oorlogsjaren ben ik er herhaaldelijk geweest. Mijn vader zat in het verzet. Hij maakte zich samen met anderen sterk bij wapendroppings, het onderbrengen van geallieerde piloten en het onderduiken van Joden. Ook in het cellencomplex kreeg hij te maken met twee Joodse jongemannen. Zolang die in het cellencomplex bleven werden ze niet vervolgd door de Duitsers. Ik heb ze zelf ook bezocht. Soms maakten ze mijn fiets schoon. Dat vonden ze niet erg, dan hadden ze wat te doen.’

Het verzet in Veenhuizen kreeg een aantal maanden voor het einde van de oorlog een gevoelige klap. Van 11 december 1944 tot en met begin januari zijn 25 mensen opgepakt. Waarschijnlijk zijn ze verraden door verklikkers, want de Duitsers wisten volgens Egberts heel goed wie ze wel en niet moesten oppakken. De slachtoffers uit Veenhuizen werden eerst ondergebracht in een villa aan de Langeloërweg in Norg. Daarna in het Huis van Bewaring in Assen. Daar werden zij zwaar mishandeld. Op 16 januari is er een transport naar Hamburg geweest. ‘Naar alle waarschijnlijkheid zaten daar ook de 25 mensen uit Veenhuizen bij. De mannen kwamen terecht in kelders van het Konzentrationslager Neungamme. Samen met nog 80 landgenoten zijn zij allen in de maand februari opgehangen.’

Bij het oorlogsmonument aan de Meidoornlaan in Veenhuizen zijn enige jaren geleden de namen van de 25 mensen uit het verzet bijgezet op een plaquette. ‘Daarmee is een flinke stap gezet richting waardering en erkenning,’ zegt Arie Egberts. ‘Het houdt ons jaarlijks een spiegel voor van wat wij hebben gedaan met de vrijheid en zij die voor ons hebben gevochten. Dat mogen wij niet vergeten.’

Egberts ervaring

‘Als klein jochie van elf jaar ben ik op 13 december nietsvermoedend naar school gegaan. Het was een mistige kille ochtend. Terwijl ik bij de woning van de naast de school wonende onderwijzer -de heer Koolen- de luiken van de woonkamer opende, zag ik een zwarte personenauto uit onze straat komen. Deze ging richting de Hoofdweg in Veenhuizen. Dat is het laatste wat ik van mijn vader heb gezien. Een beeld dat me ook nu nog niet loslaat. Hij was opgepakt. Op school besefte ik dat toen nog niet, maar toen even later meester Koolen mij apart nam en me vertelde dat ik maar beter naar huis kon gaan, drong de realiteit langzaam tot mij door. Ik wist dat mijn vader in het verzet zat en dat dit risico’s met zich mee bracht. Thuis aangekomen was de ontreddering groot. Mijn vader was inderdaad opgepakt door de Duitsers. Ons hele huis lag van boven tot beneden overhoop. Alle kasten waren leeggehaald, het was een puinhoop. De Duisters waren op zoek geweest naar bewijsstukken voor deelname aan het verzet. Het oppakken van mijn vader was extra wrang, juist omdat hij deze dag definitief zou onderduiken.’ Arie Egberts gaat verder met zijn verhaal. ‘Ik heb later vernomen dat mijn vader samen met nog meer mensen uit het Veenhuizer verzet naar Norg zijn gebracht. Daar zijn ze vreselijk onderhanden genomen door de beruchte Bloedploeg Norg. Een aantal dagen later werd dat in het Huis van Bewaring in Assen door de S.D. nog eens stevig overgedaan. Mijn vader zat in cel 19. Ik ben daar nog eens binnen geweest. Het moet een verschrikkelijke periode voor hem zijn geweest. Half januari volgde een transport naar Hamburg. Daar is mijn vader na ongeveer een maand, samen met andere verzetsmensen uit Veenhuizen en elders uit het land, omgebracht. Hij was toen 37 jaar.’