Verleiding in het veld

Binnen mijn kennissenkring sta ik bekend als Andree. Deze ‘geuzennaam’ heb ik te danken aan mijn interesse en voorliefde voor reeën. Al vanaf het moment dat ik, als kleine jongen, een reeëngewei vond op een houtwal bij Peest. Om de een of andere reden blijven deze inheemse zoogdieren me aantrekken. Is het de elegantie of de schuwheid waarmee ze zich door het landschap bewegen? Zeg het maar. Ik kan urenlang, verscholen op een oude houtwal, van deze dieren genieten.

Er leven volgens diverse schattingen tussen de 50.000 en 100.000 reeën in ons land. De grote marge in deze aantallen zit ‘m vooral in de tellende organisatie met elk een verschillende achtergrond en belang. Het zijn Nederlands grootste, plantenetende, hoefdieren en in verhouding tot damherten en edelherten vrij klein van postuur. De gemiddelde schouderhoogte ligt rond de 70 cm en de lichaamslengte rond de 120 cm. Veel mensen hebben het idee dat reeën veel groter zijn. En wellicht nóg een verrassing, reeën hebben geen grote reebruine maar diep donkere ogen. 

‘Mazzelaar’ hoor ik vaak. ‘Waarom zie jij ze wel en ik niet?’ ‘Tja, je moet wel weten hoe ze leven’ is mijn antwoord ‘Dan zie je ze op veel plekken, zeker in Noord Nederland’. Dát je ze wellicht niet zo vaak ziet heeft vaak te maken met hun levenswijze. Reeën zijn schemerdieren. Ze zijn daarnaast perfect aan hun omgeving aangepast en kampioen in het verschuilen achter struikgewas. Wil je ze zien? Dat kan het hele jaar, maar gedurende de wintertijd heb je meer kans. Ze zijn dan iets zichtbaarder omdat het meeste blad van de struiken is gevallen. Maar, je moet scherp blijven kijken.

Zo liep ik eens met mijn camera door een pitrusveld, toen ik plotseling werd verrast door een reegeit die op ongeveer zes meter afstand voor me stond. Ik stond aan de grond genageld en we keken elkaar enkele seconden nieuwsgierig aan. En ja hoor, daar was ie….. die verleidelijke oogopslag. Het leek zelfs een knipoog. Vervolgens liep ze in rustige draf van me vandaan. Vanuit mijn ooghoeken zag ik nog iets bewegen. Er bleken op korte afstand nog vijf reeën tussen het pitrus te liggen die me nieuwsgierig lagen aan te staren. Ik had ze, met mijn toch redelijk geoefende oog, niet gezien.

Naast mensen en honden, hebben reeën in Nederland nauwelijks vijanden. De meeste reeën sterven als verkeersslachtoffer, worden door loslopende honden gebeten of door jagers geschoten. Maar sinds kort hebben de reeën er een nieuwe, natuurlijke vijand bij. Nu nog incidenteel, maar wellicht over enkele jaren als vaste bewoner van ons land. De wolf laat zich namelijk steeds vaker zien. Op de Veluwe zijn de eerst wolvenjongen al geboren. En dat levert boeiende gesprekken op. Ik denk persoonlijk dat de terugkeer van de wolf een positief effect op de reeënpopulatie in ons land kan hebben. Het ree staat bovenaan zijn menulijst. Het zal er voor zorgen dat de reeënpopulaties waakzamer worden en de sterkste dieren het overleven. Maar of het zo ver komt…    

Ik blijf van ‘mijn’ reeën genieten en ‘schiet’ ze met mijn camera. Trouwens, ik besef me tijdens het schrijven van deze tekst ineens waarom ik reeën zo boeiend vind, denk ik. Als je tijdens een ontmoeting een keer diep in de donkere ogen van een ree hebt gekeken, dan ben je verkocht. Die ogen en die oogopslag… overgehouden aan de Bambi films in mijn jeugd, denk ik.