Voorjaar, tijd van zang en dans

Dit verhaal gaat over zang en dans. En daarmee eigenlijk over seks. Nu niet meteen verder bladeren of de krant wegleggen: u bent niet in de verkeerde rubriek beland. Ik heb het niet over mensen maar over vogels.

Het voorjaar is de tijd waarin de meeste vogels zich uitbundig laten horen en zien, met hun beste liedjes en mooiste kleuren. Voor sommige soorten begint het voorjaar al heel vroeg: de eerste merels en koolmezen bijvoorbeeld zingen al in januari. Gaandeweg zwelt het vogelkoor aan, vooral in april en mei als alle zomervogels achter elkaar vanuit het zuiden terugkeren op hun broedplaats. In de loop van juni neemt het spektakel af en wordt het stiller.

Al dat gefluit, geschetter en gepronk staat in dienst van één doel: voortplanting. Alle zomervogels komen zelfs alleen maar voor dat doel vanuit Afrika of het Middellandse-Zeegebied hierheen. Vaak zijn ze hier maar kort; nog in de zomer, zodra hun jongen zichzelf kunnen redden, verdwijnen de eerste alweer geruisloos. De overige driekwart van het jaar zitten ze lekker in het zuiden.

De zang van vogels in het voorjaar wordt uitsluitend door de mannetjes voortgebracht en heeft twee betekenissen. De boodschap aan vrouwtjes is ‘kom hier met mij een nestje bouwen’, de boodschap aan andere kerels ‘opzouten, dit is mijn gebied’. Vogelsoorten die niet zingen, gebruiken andere middelen om dezelfde dubbele boodschap over te brengen. Spechten roffelen, duiven koeren en uilen maken spookgeluiden. Vogels die in open terrein broeden gebruiken naast geluid ook visuele middelen. Denk aan de halsbrekende stuntvluchten van de grutto of de acrobatische buitelingen van de kievit. Vogels van open landschap zetten hun opvallende kleuren in: borst vooruit, veren opgezet, staart gespreid, vleugels geheven.

Al dat zingen en al dat vertoon leidt ertoe dat broedparen van elke soort netjes over een gebied verdeeld raken zonder dat er bloedvergieten aan te pas komt. Zingen en dansen voorkomt een hoop geknok. Bij kieviten is dat goed te zien: vaak zie je twee kievitmannetjes voor of na hun uitgebreide showvlucht een tijd met elkaar duelleren, waarbij ze op één plek in de lucht tegen elkaar ‘opboksen’. Op die plek is de onzichtbare grens tussen hun territoria. Tot echt vechten komt het maar heel af en toe.

Onderzoek heeft aangetoond dat vogelvrouwtjes hun partner behalve op zijn uiterlijk daadwerkelijk uitkiezen op basis van zijn zangkunsten. Ik las eens over een Zweeds onderzoek aan een vrouwtje van een grote karekiet, dat een zendertje om had gekregen. Zo konden de onderzoekers haar volgen en vaststellen dat ze elke avond en ochtend een ronde maakte langs alle mannen die in haar rietveld zaten te zingen, en dat een paar dagen lang, voor ze er een uitkoos. Zo vreemd is dat ook niet: de kerel met het beste lied is waarschijnlijk de fitste, dus het meest geschikt om gezonde nakomelingen mee op de wereld te zetten en op te voeden. Wie de tijd heeft om uitgebreid te zingen, heeft immers kennelijk geen probleem om aan voedsel te komen. De muzikale criteria die vogelvrouwtjes aanleggen, lijken trouwens best veel op die van mensen. Volume en klankkleur spelen een rol, maar ook muzikale variatie en creativiteit. Hoe uitvoeriger de compositie, hoe beter. De man met de meeste noten op zijn zang is de beste. Er zijn zelfs voorbeelden van onderzoek waarbij vrouwtjes letterlijk opgewonden raakten van liedjes die voor ze werden afgespeeld.

Dat het bij de roffel van de grote bonte specht net zo werkt, heb ik zelf een keer mogen aanschouwen. Dat gebeurde op een perfect moment. Ik was op een voorjaarsochtend op stap in het bos met mijn cursisten van de vogelcursus van de Volksuniversiteit Groningen. We kregen een mannetje grote bonte specht heel dichtbij in beeld terwijl hij zat te roffelen op een goed resonerende tak. De ideale gelegenheid voor mij om nog eens uit te leggen dat die roffel precies hetzelfde dubbeldoel dient als de zang van zangvogels. Ik was nog niet uitgesproken of er verscheen een vrouwtje specht in beeld. En onder onze ogen – of eigenlijk er pal boven – kwam het tot een paring. Aanschouwelijk onderwijs op zijn best!

Het onderdeel dans speelt vooral een rol bij het bekrachtigen van de band tussen man en vrouw; bij vogels heet het ‘balts’. Soms is dat echt een soort dansen; denk aan de dans van de kraanvogel. Ook het baltsritueel van futen, waarbij ze tegenover elkaar in het water allerlei synchrone kop- en halsbewegingen maken, heeft veel weg van dans, compleet met ingewikkelde choreografie. Kievit- en gruttomannetjes marcheren met overdreven passen naar een nestkuiltje dat ze heel demonstratief uitgraven. Daarbij showt de kievitman zijn oranje onderstuit. Bij de grutto lijkt het wel wat op de silly walks van John Cleese in Monty Python. Huismusmannetjes hippen met afhangende vleugels en opgerichte staart rond de vrouwtjes, die op hun beurt met trillende vleugeltjes als een jong om voedsel bedelen.

Mooie kleuren spelen zoals gezegd een belangrijke rol bij paarvorming en balts. Het zijn dan ook de mannetjes die ze dragen, de vrouwtjes zijn vaak veel onopvallender gekleurd. Extreem is het verschil bij veel soorten eenden. Terwijl de woerden (de mannetjes) alle mogelijke kleuren laten zien, zijn de vrouwtjes min of meer egaal bruin. Een schutkleur is ook wel zo handig wanneer je op de grond broedt en helemaal wanneer je als vrouw dat broeden alleen voor je rekening moet nemen. Na de paring bemoeien de mannetjes van de meeste eenden zich nergens meer mee.

Eenden zijn in nog een opzicht illustratief voor de functie van mooie kleuren. Veel vogels dragen hun mooie verenpak alleen in voorjaar en zomer (‘zomerkleed’). Eenden daarentegen krijgen hun ‘prachtkleed’ al in de loop van het najaar. Niet toevallig vindt de paarvorming van eenden niet in het voorjaar maar al in de winter plaats.

Soms zie ik dingen die niet helemaal lijken te passen in dit hele verhaal. In onze tuin hebben in de loop van de tijd drie soorten vinkachtigen gebroed: vink, kneu en putter. Voor alle drie geldt: ze kwamen altijd al als paartje bij ons aan, de paarvorming had kennelijk al ergens anders plaatsgevonden. De mannetjesvinken en -kneutjes waren echter nog helemaal niet mooi op kleur als ze arriveerden; de echt intense kleuren kregen ze pas in de loop van de broedtijd. Misschien is er een verklaring. Wat me ook opviel bij die vinkjes, was dat het mannetje geen seconde van de zijde van het vrouwtje week. Elke keer als het vrouwtje aankwam met nestmateriaal bijvoorbeeld, chaperonneerde hij haar (zonder zelf een poot uit te steken). Het maakte een nogal, tja, kneuterige indruk. Maar misschien was er wel iets heel anders aan de hand. Misschien volgt het mannetje zijn vrouw als een schaduw om te voorkomen dat ze vreemd gaat met een ander. Misschien dient daar dat prachtige zomerkleed vooral ook voor. Want inmiddels weten we uit onderzoek dat best veel eieren in vogelnesten bevrucht zijn door andere mannen dan de eigen partner. Vreemdgaan is in de vogelwereld aan de orde van de dag.

Henk van den Brink, tekstschrijver, natuurliefhebber, vogelaar, voorzitter IVN Roden-Norg