Voorrecht?

column-cees-voorrecht

Het had enige voeten in aarde voordat we toestemming kregen om in de Lettelberterpetten paddenstoelen te inventariseren. Meestal levert dat geen problemen op, maar nu vond het plaats op 23 mei, dus middenin het broedseizoen. Om een goed beeld te verkrijgen van wat er allemaal aan zwammen en zwammetjes groeit dien je af en toe wel de geëffende paden te verlaten om in het ernaast liggend struweel op zoek te gaan. Dat is wel het terrein waar grondbroeders als Fitis en Tjiftjaf hun nesten hebben, vandaar dat er sprake was van enig voorbehoud.

Pas nadat we hadden beloofd uiterst behoedzaam te zullen opereren en niet met horden tegelijk de bosjes in te duiken werd men toegeeflijker. Daarnaast verklaarde ik dat we allen natuurliefhebbers pur sang zijn die nog geen vlieg kwaad zouden doen, laat staan kleine vogeltjes. Tevens betoogde ik dat het nodig is dat je als natuurbeherende instantie -de Lettelberterpetten zijn van Het Groninger Landschap- op de hoogte bent van alles wat een gebied aan natuurwaarden biedt, dus ook aan paddenstoelen. Dan is een inventarisatie in het voorjaar gewoon nodig omdat je in mei een totaal andere mycoflora treft dan in het najaar. Uiteindelijk was men overtuigd en zo stonden we afgelopen vrijdagmorgen op het parkeerterrein van de boerderij van de stichting om vanaf daar het terrein te verkennen. Bij de boerderij noteerden we trouwens direct al een aardige soort, hoewel dat geen zwam was, maar een vogel. Dat betrof een Spotvogel, een soort die zijn naam ontleent aan het feit dat hij heel goed de zang van andere vogels kan imiteren. Naast andere, meer algemene vogelsoorten, hoorden we in de Lettelberterpetten nog een andere goede imitator, de Bosrietzanger. Voeg daaraan toe de Nachtegaal en u begrijpt dat we qua vogelzang aan onze trekken kwamen.

De oogst aan paddenstoelen was daarentegen een stuk minder. Het was de dagen ervoor behoorlijk warm geweest en dan weet je als mycoloog van tevoren dat de ‘oogst’ kan tegenvallen. Konden we enkele weken eerder (in Leens) nog zo’n 90 soorten noteren, nu prijkten er na afloop van de excursie ongeveer de helft op het lijstje. Maar voordat het zover was moesten we wel het één en ander doorstaan! Op de parkeerplaats wreven enkele mensen zich in met insectenwerende middeltjes, omdat men beducht was voor aanvallen van muggen. Dat was niet ten onrechte, want aan muggen ontbrak het niet. Sommigen laten zich liever steken, omdat ze een hekel hebben aan die middeltjes. Op een gegeven moment hadden we echter niet alleen last van muggen, maar vooral van knutjes. Dat zijn gemeen stekende, kleine vliegjes waarvan je vooral last hebt wanneer je stilstaat; wolken komen dan op je af. En dat stilstaan is iets wat wij vaak moeten doen om zaken te onderzoeken. De hinder werd zo erg dat zelfs de weigeraars van insectensprays er hun toevlucht tot namen om vervolgens te ontdekken dat die akelige beestjes er totaal ongevoelig voor bleken te zijn. Het leidde er zelfs toe dat een onzer het hazenpad koos en haar toevlucht zocht in de verderop gelegen hooilanden om daar libellen en waterjuffers te inventariseren; die steken tenminste niet.

Het gevolg van de terreur was dat het tempo van de rondgang door het gebied behoorlijk omhoog ging en pas toen we in meer open gebied kwamen (foto) werd het beter. Het betekende wel dat we zelden zo vroeg klaar waren met een inventarisatie! Eén keer eerder maakte ik mee dat we een gebied moesten ontvluchten vanwege de massale aanwezigheid van knutten. Dat was in De Wieden waar we moesten hooien, maar dat ging mooi niet door. Vrijdag wist iemand te melden dat knutten verwant zijn aan de sandfly’s die bepaalde delen van Nieuw Zeeland kunnen teisteren. Uit ervaring weet ik dat die wel een stuk gemener zijn dan onze knutjes. Wanneer je daar werd gestoken had je maar zo 5 dagen last en soms leidt het zelfs tot open wonden. Wat ik niet wist is dat er in Nederland maar liefst 110 verschillende soorten knutten voorkomen. Wereldwijd is er sprake van 5989 beschreven soorten. Kennelijk heeft iemand dat uitgerekend. Maar het zijn vast en zeker allemaal bloeddorstige monstertjes. In Suriname worden ze mampieren genoemd en aan die naam hoef je maar één letter te veranderen om te weten wat het zijn! Sommige soorten kunnen trouwens ziektes verspreiden. Blauwtong is zo’n ziekte die hier nogal wat slachtoffers onder schapen veroorzaakte. Dat was in 2006 en misschien herinnert u het zich nog. Achteraf was de ellende van vrijdag al snel weggeëbd, maar we zagen het niet als een groot voorrecht dat we in de ‘petten’ mochten verkeren.