Vuurmaker

Wie vuur kan maken kan overleven. Zo was het al bij de Neanderthalers in de prehistorie. Vuur maken staat nog steeds vooraan in de survivalgidsen. Vuur zorgt voor warmte, op vuur kun je koken en vuur houdt wilde dieren op afstand.

Tegenwoordig is het vrij eenvoudig om vuur te maken. We beschikken over lucifers, zippo’s, vuurstalen of drukken op de ‘vuurknop’ van het gasfornuis. Dat was in de steentijd wel anders. Vuur maken was een vak. Wie vuur kon maken had aanzien en macht.

Om vuur te maken heb je drie zaken nodig, brandstof, zuurstof en iets om het vuur te ontsteken. De zogenaamde branddriehoek. Op deze driehoek zijn ook alle blusmethoden gericht. Haal je één onderdeel weg dan gaat het vuur uit.

Onlangs leerde ik hoe je vuur maakt.  We kregen een korte vuurintroductie bij het Hunebedcentrum. Jarenlang dacht ik dat je met twee vuurstenen vuur kon maken. Ik zat er flink naast hoorde ik. Want twee vuurstenen tegen elkaar slaan levert een ‘koudvuur’ vonk op en dat wil niet branden. Je hebt iets ‘ijzerigs’ nodig. De oudste manier van vuur maken is met markasiet of Pyriet en vuursteen. Markasiet bestaat uit ijzer en zwavel en is daarom zeer geschikt voor het maken van vuur. Door de stenen tegen elkaar aan te slaan, ontstaat een vonk. Deze manier van vuur maken bestaat zeker al sinds de steentijd. Ik las dat in hunebedden stukken markasiet zijn gevonden naast vuurstenen. Op de vuurstenen zijn markasiet sporen gevonden en andersom.

Naast de stenen heb je ook goed brandbaar materiaal nodig. Dat noemen we tondel of vuurmaker. Je gebruikt het om van een vonkje een vuur te maken. Goede tondel is dus erg belangrijk en in de natuur volop te vinden. Lisdodde pluis bijvoorbeeld is zeer geschikt. Ook berkenschors, gedroogd gras, mos en bladeren zijn goed bruikbaar. Belangrijk is dat je alles zo klein mogelijk maakt en er genoeg zuurstof tussen de stukjes kan komen. Van de tondel maak je een klein ‘nestje’ waarin je de vonk opvangt. Vervolgens blaas je het gloeiende vonkje voorzichtig tot een vuurtje.

Ook de echte tonderzwam (Fomes fomentarius) is een bekende grondstof voor tondel. Veel mensen noemen de paddenstoel dan ook Tondelzwam. Ze groeien aan bomen, vooral beuk en berk. Niet verwarren met elfenbankjes. Tonderzwammen zijn langzame groeiers. Een zwam met een diameter van 20 centimeter kan wel tientallen jaren oud zijn. Je moet de tonderzwam pellen want alleen het zachte binnenste deel kun je gebruiken. Vervolgens snij je het zachte materiaal in reepjes en kook je de tondel in water met as. Het liefst laat je het nog een dag trekken in urine. Dan trekt de salpeter in de tondel en wordt het spul nog brandbaarder. Vervolgens laat je de tondel goed drogen.

Vroeger hadden mensen een tondeldoos op zak. Hans Christian Andersen schreef er een sprookje over. Een tondeldoos is een klein doosje of kokertje met tondel, bijvoorbeeld gedroogde tonderzwam. Hier hoorde nog een vuursteentje en een metalen ring, het vuurslag bij. Met de metalen ring sloeg je een vonk van de vuursteen in de tondel. Beetje blazen en je had vuur. Na de ontdekking van het zwavelstokje (Lucifers) verdwenen de tondeldozen.

Het is me nog niet gelukt om met vuursteen en markasiet een vuurtje te maken maar ik geef niet op. Het gaat me lukken daar ben ik van overtuigd. De vonkenregen heb ik al te pakken, nu nog opvangen in een tondelnestje van tonderzwam. Binnenkort maar eens een echte tonderzwam in het bos zoeken en kneuzen tot pluizige tondel. Dan is het voor mij helemaal ‘survivalen’. Ik weet nog niet of ik er overheen ga plassen.