‘We moesten scheepsluiken maken voor de binnenvaart, daar hadden we geen enkele notie van’

Tjerk Rozema stond aan de wieg van de Roder industrie

RODEN – Hij stond aan de wieg van de Roder industrie. Als negentienjarige jongeman ging hij aan de slag in een smederij naast de Melkfabriek. Een fabriek die veel later werd overgenomen door Roden Staal. Tjerk Rozema (93) zag Roden veranderen van agrarisch dorp naar een plaats waar de industrie hoogtij vierde. De Krant zocht hem op, in zijn appartement aan de Touwslager.

De deur van nummer 124 staat al wagenwijd open wanneer we de galerij betreden. De stoel van Tjerk Rozema staat voor het raam. Vanuit zijn appartement kijkt hij uit over de Touwslager en het parkeerterrein van Aldi.  Rozema is geboren en getogen Roner. Nooit heeft hij zijn geliefde dorp verlaten. “Waarom zou ik? Hier is alles.” Drieënnegentig of niet, hij redt zich nog uitstekend. Trekt er af en toe op uit met zijn Opel. Wel mist hij zijn vrouw Sjutje, die twee jaar geleden overleed. “Soms is het best eenzaam”, bekent hij. “Ik heb al heel wat operaties gehad, maar ’t koppie is altijd goed gebleven.”

Nadat Tjerk Rozema zijn schooltijd had afgerond, moest hij aan de bak. “Je moest werken in die tijd. Geld was er niet. Ik wilde graag een vak leren. Toen ben ik in een smederij terecht gekomen. Roden was een agrarisch dorp. Ik ben begonnen in de smederij van Kroeze in Peize. We maakten hoefbeslag, landbouwwerktuigen en hoepels voor karren. Na de oorlogsjaren werd door de Verenigde Groninger smeden (VGL) de ‘Centrale Werkplaats’ opgericht in Roden. Met Marshallhulp. Machines die door de Duitsers gestolen waren werden teruggebracht naar Nederland. In de Centrale Werkplaats, naast de oude zuivelfabriek in Roden produceerden we landbouwmachines. We hebben een machine uitgevonden om machinaal mest over het land te strooien. De ‘Dual’ heette die. Boeren konden hem op twee manieren bedienen: met de hand én machinaal. De Centrale Werkplaats was samen met de klompenfabriek in Nieuw-Roden de enige industrie in Roden destijds. Ik heb er vijf jaar gewerkt. Toen er een einde kwam aan de Marshallhulp werd de zaak overgeheveld naar Kampen. Ik kon mee, maar dat wou ik niet. Wat heb ik in Kampen te zoeken, dacht ik. Het werk in de Centrale Werkplaats werd over een andere boeg gegooid: de zaak werd overgenomen door Van Roost, een scheepsbouwbedrijf in Schiedam. We moesten scheepsluiken maken voor de binnenvaart en de kustvaart. Daar hadden we geen enkele notie van. Al waren die luiken vrij simpel. De eerste opdracht was voor een rijnvaartbedrijf uit Rotterdam. Later werden die luiken hydraulisch. Uiteindelijk ging het bedrijf failliet en werden we overgenomen door de Meppeler Machinefabriek. In Roden zat de afdeling scheepsbouw. We maakten luiken voor scheepswerven in Hoogezand en Delfzijl, een bloeiende industrie destijds. Al die schepen moesten wij voorzien van luiken. Onze afdeling werd zelfstandig en ging verder onder de naam Roden Staal. Het probleem werd uiteindelijk het transport. Die luiken werden zó groot, dat ze niet meer  vervoerd konden worden. Roden Staal werd overgeheveld naar Drachten, een locatie aan het water. Onze fabriek werd gesloopt. Roden Staal in Drachten bestaat nog steeds. Daarna ging het snel met de Roder industrie.”

In de jaren vijftig werd de voormalige gemeente Roden door de overheid aangewezen als kerngemeente. Een maatregel die voor Roden zeer goed zou uitpakken. Vestiging van bedrijven werd om werkgelegenheid te creëren sterk gestimuleerd. Roden was in 1960 zelfs de snelst groeiende gemeente van Noord-Nederland. Metaalwarenfabriek EGAM was een van de eerste bedrijven die zich aan de –toen nog niet- gedempte haven in Roden vestigde. “Later kwam daar Jarino bij. Ik ben na Roden Staal met pensioen gegaan. De industrie heb ik niet zozeer meer gevolgd. Ik had het druk met andere dingen.”

Opa vertelt

Rozema’s lijstje met ‘andere dingen’ is er nogal eentje. Zo was hij 40 jaar actief betrokken bij Toneelvereniging Atovero, was hij voorzitter van de ‘Ontspanningscommissie’(nu Welzijn in Noordenveld) waar hij bewegen voor ouderen stimuleerde, hij kreeg er zelfs een oorkonde voor. Ook zat Rozema twaalf en half jaar bij de brandweer en reed zo’n vijftien jaar warme maaltijden rond voor Tafeltje Dekje. Zijn leven tekende hij op in een boek: Opa vertelt. Een vuistdik werk voorzien van verhalen en oude beelden. Actief bij clubs en verenigingen is hij inmiddels niet meer. “Het is me teveel. Dat kan ik fysiek niet meer aan. Maar ik ga er nog wel op uit hoor. Met mijn auto.  De kleinkinderen vinden dat geen goed idee. Ze zijn bang dat me iets overkomt. Flauwekul natuurlijk, mijn rijbewijs is vorig jaar nog verlengd. Ik red me prima. Maar ik wil niet eigenwijs zijn, dus ik blijf een beetje in de buurt.”

Tjerk Rozema kijkt terug op een rijk leven, zegt hij. “Sjutje en ik hebben veel gereisd. Venetië, Wenen, prachtig was het. Ameland was ons eiland. We hebben ook pech gehad. Veertien dagen na de geboorte overleed ons zoontje Jan.” Tjerk staat op. Pakt een IPad van de kast. Hij swipet door de foto’s. Stopt wanneer hij het beeld vindt dat hij zoekt. “Het graf van ons zoontje. De as van Sjutje is er ook bij ingezet. Als ik doodga, komt dat van mij erbij. Dan zijn we weer samen.