Willem van Wierst: een leven vóór en na 2001

Mensen in plaats van boeken lenen

RODEN – Zaterdag 8 februari vindt er een hele bijzondere activiteit in de bibliotheek van Roden. In plaats van boeken lenen, kunnen bezoekers kortstondig in gesprek met een ‘levend verhaal’. In twintig minuten kan men in gesprek met echte mensen die echte verhalen te vertellen hebben, met als thema ‘vrijheid’. Eén van hen is Willem van Wierst, inmiddels een bekende Noordenvelder. De blinde Roner heeft een bijzonder verhaal te vertellen. Niet alleen vanwege zijn visuele beperking, maar ook vanwege zijn verleden in het leger. In gesprek met De Krant vertelt hij alvast één en ander.

Een onbekende is hij zeker niet. Samen met zijn hond Luna vormt Willem van Wierst een opvallende verschijning in Roden. ‘Een blindengeleidehond valt natuurlijk snel op’, zegt hij. ‘Vooral kinderen vinden mijn hond natuurlijk reuze-interessant, dus ik word vaak op straat aangesproken.’ Geen probleem, vindt Willem. En ook Luna heeft er weinig last van. ‘Ze is een echt knuffelmonster.’ Ook in het appartementje van Willem aan de Bernardpassage blijkt dat eens temeer. Luna komt geregeld even haar kop op de schoot van het bezoek leggen, om zo een aaibeurt te verdienen. Het maakt haar tot een ideaal maatje, maar niet tot de allerbeste blindengeleidehond. ‘In Roden red ik me met Luna prima, maar ze is niet de allerbeste geleidehond. Laat ik het zo zeggen: ik zou met haar Parijs niet door willen lopen. Als ze aan de overkant een bekende ziet lopen, wil ze direct knuffelen. Het is een heerlijk beest, maar een geleidehond moet natuurlijk geconcentreerd blijven.’

Voor Willem bestaat er een leven voor en na 2001. In dat jaar kreeg hij een meningokokkenontsteking die zijn leven totaal op de kop zette. Allereerst belandde hij in een coma. Toen hij ontwaakte kon hij zijn benen niet bewegen. Zelfs plassen bleek een probleem. Willem kon ook niet meer zien. ‘Ineens was het licht uit’, zegt hij. Inmiddels heeft hij een piepklein gedeelte van zijn zicht terug. ‘In mijn rechteroog tenminste. Links zie ik niks. Rechts lijkt het alsof ik door een koker kijk. Maar wanneer jij door een koker kijkt, dan zie je tenminste nog scherp. Dat heb ik niet. Ik kan met veel moeite zien waar je neus zit. Meer niet.’

Het is aan de meningokokkenziekte te wijten dat Willem menig revalidatiecentrum voorbij zag komen. Via Doorn, Apeldoorn en Vught kwam hij terug in Roden, alwaar zijn ouders nog woonden. Voor Willem geen onbekend terrein: hij is een geboren Roner. Willem krijgt vaak vragen over zijn blindheid. ‘Op straat bijvoorbeeld, hoor ik wel eens een kind zeggen: “kijk mama, die meneer is blind”. Dan zegt die moeder vaak dat je dat niet hoort te zeggen, maar mij maakt het niet uit. Ik vertel er liever over. Hoe het is om blind te zijn, waar je tegenaan loopt.’ Met zijn visuele beperking heeft Willem leren leven. Veel moeilijker vindt hij dat hij ook een cognitieve beperking heeft dankzij het meningokokkenvirus. Willem is vergeetachtig, zo vertelt hij. Het is ook de reden dat hij – wanneer hij een afspraak maakt – dit direct in zijn computer zet. Zijn computer (met spraak) is zijn houvast. ‘Anders vergeet ik dingen. Dat is heel vervelend. Het gebeurt ook dat ik mensen niet herken of dat ik hun naam niet meer weet, terwijl ik ze toch echt al ontmoet heb. Dat is voor mij vervelender dan het feit dat ik blind ben.’

Vóór 2001 leidde Willem een heel ander leven. Dat van een militair. ‘Ik ben met hart en ziel militair’, zegt hij. In totaal zat hij dertien jaar in dienst. In 1981 ging hij in die hoedanigheid voor het eerst naar Libanon. Als groepscommandant gaf hij tijdens deze eerste campagne leiding aan een groep van tien militairen. Later, in ’83 was hij pelotonscommandant en gaf hij leiding aan dertig militairen. Die laatste uitzending duurde ook langer dan normaal. Maar liefst negen maanden werkte hij aaneengesloten in Libanon. De vredesmissie staat wellicht niet in het geheugen van vele Nederlanders gegrift, gevaarlijk was het er zeker. ‘Je leeft altijd in een bepaald spanningsveld wanneer je op missie bent’, vertelt Willem. Hij maakte een bombardement mee en zag hoe een collega voor zijn ogen door friendly fire om het leven kwam. ‘We werkten soms achttien uur per dag. Dan waren we op sociale patrouilles of elders aan het waarnemen.’ Dat de missie in het thuisland niet veel aandacht kreeg, was een feit. En toen een Telegraaf-journalist wél eens de moeite nam om Libanon te bezoeken, stelde zij de vraag: ‘Wat doen jullie hier eigenlijk?’

In Libanon liep Willem een – zoals hij het zelf 37 jaar na dato zou noemen – ‘milde vorm van PTSS’ op. Desondanks voelde hij zich in het leger als een vis in het water. ‘De enorme saamhorigheid, het voor elkaar opkomen: dat is typisch voor het leger. Ik heb altijd een veel nauwer contact gehad met mijn collega’s, dan met mijn partner.’ Willem was een fanatieke militair, maar ook een vreemde eend in de bijt. ‘Uiteindelijk ben ik een vreemde snuiter en een beetje een einzelgänger. Dat ben ik overigens nog steeds, ondanks dat ik met iedereen best een praatje wil maken.’

In ’87 ging Willem uit het leger. ‘Ik zou weer op uitzending moeten. Ik wilde geen derde keer.’ Hij kwam te werken in een jeugdgevangenis in Nijmegen. ‘Daar was meer geweld dan op missie’, blikt Willem terug. Later, toen hij alweer een andere baan had, zou Willem zich aanmelden bij de reservisten. ‘Het bloed kruipt waar het niet gaan kan’, lacht hij. ‘In 1998 ben ik gevraagd om weer beroepsmilitair te worden, ditmaal bij de luchtmacht. Die kans heb ik met beide handen aangegrepen. Ik liep er nog een dikke twee jaar en toen ging het licht uit.’

Pas jaren later, in 2010, kwam aan het licht dat Willem een vorm van PTSS heeft. ‘Ik heb het lang ontkent, terwijl ik toch echt af en toe raar gedrag vertoonde. Dat kwam tot een dieptepunt toen mijn vorige geleidehond in 2010 overleed. Ik was helemaal van het pad af. ’s Nachts belde ik met het Veteraneninstituut. Zij staan 24 uur per dag stand-by. Een dag later kreeg ik al een maatschappelijk werker over de vloer en een week later zat ik in therapie. Het was heel snel geregeld, maar eigenlijk had ik veel eerder in therapie gemoeten. Maar vroeger was die mogelijkheid er gewoonweg niet.’

Vandaag de dag gaat het beter. Willem is, zoals hij het zelf zegt, nog steeds een rare snuiter. ‘Maar verder gaat het goed. Ik ziet hier prima in mijn appartement, middenin het dorp. Verder sport ik geregeld, doe ik aan handboogschieten en kom ik geregeld bij de MensA. Daar komt iedere maand een heel gemêleerd gezelschap. Veel statushouders bijvoorbeeld, die openhartig hun verhalen delen. Als je die verhalen hoort denk je: we weten hier eigenlijk niet half hoe goed we het hebben.’

Via een vrijwilliger van Humanitas is Willem in contact gebracht met de Mensenbieb. Op zaterdag 8 februari kan men verscheidene inwoners van Noordenveld binnen twintig minuten leren kennen. ‘Ik vertel mijn verhaal graag, maar hoop ook van een ander wat te horen. Ik hoop mensen te spreken die geïnteresseerd zijn in mij, maar ook zelf wat durven vertellen.’

 Reserveren

Wie zeker wil zijn dat hij met een bepaald persoon kan spreken, kan een ‘mens reserveren’. Dat kan via www.mensenbieb.nl/reserveren.

Foto: Sabine Becht