Winnaars en verliezers


Alle tellers en organisaties die broedvogelgegevens over het jaar 2017 hebben aangeleverd bij Sovon Vogelonderzoek Nederland ontvingen vorige week daarover een rapport met de uitkomsten. De gegevens worden verzameld in het kader van het Netwerk Ecologische Monitoring en wordt verricht (en gesubsidieerd) in opdracht van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Vanwege de verwerking van alle gegevens duurt het altijd even alvorens zo’n rapport verschijnt en dus mag je de resultaten over 2018 pas in april 2020 verwachten.

Die ecologische monitoring vindt in veel meer disciplines plaats. Zelf verzamel ik gegevens van broedvogels, maar ook die van paddenstoelen en werk tevens mee aan flora-inventarisaties. Ook dagvlinders en libellen, weekdieren, insecten, zoogdieren en korstmossen worden geïnventariseerd en kennen elk een eigen (soorten)organisatie. Een andere bekende organisatie is Stichting RAVON die gegevens verzamelt van reptielen, amfibieën en vissen. De grootste organisatie is zonder meer Sovon en daar gaat dan ook de meeste subsidie naartoe. Overigens is dat maar een schijntje vergeleken met de subsidies die naar de landbouwsector gaan! Een belangrijke speler is het geheel is het Centraal Bureau voor de Statistiek vanwege de verwerking van de gegevens (meten is weten) en onder andere de provincies en Rijkswaterstaat zijn mede ondersteunende partijen. Op vogelgebied vinden tal van onderzoeken plaats. De meest uitgevoerde is het Broedvogel Monitoring Project (BMP) waarbij binnen een afgebakend gebied alle broedvogels worden geïnventariseerd. Dat is wat ik ook doe. Daarnaast worden kolonievogels geteld, er is een Meetnet Urbane Soorten (MUS) en een Meetnet Agrarische Soorten (MAS). Maar er zijn er meer: o.a. Kustvogels, Kerk- en Steenuilen, Zeldzame broedvogels en ook de in kaart gebrachte nestkastgegevens worden verwerkt. Alle gegevens zijn vervolgens bijeen geharkt en hebben geleid tot het rapport.

Ontegenzeggelijk blijkt daaruit dat er sprake is van klimaatopwarming. Soorten met een Zuid-Europees verspreidingszwaartepunt zien we hier steeds meer. De toename van het aantal Steltkluten was zelfs spectaculair te noemen, hoewel we het hier hebben over ’slechts’ 51 paren. Maar procentueel was dat veel meer dan de jaren ervoor. Andere voorbeelden zijn de Kleine zilverreiger, Cetti’s zanger, Graszanger en Vuurgoudhaan. Over de laatste meldde ik vorige week dat ik hem niet meer hoor, maar mijn mede-inventariseerder Erick hoort ze gelukkig wel. Dat is niet verbazingwekkend, want met 28 jaren minder op de teller scheelt het qua gehoor natuurlijk wel. Soms fluctueren de cijfers sterk, zoals bij de Kerkuil. Die kende een flinke inzinking, maar bleek vier jaar later te zijn verdrievoudigd tot een recordhoogte van 3364 nesten. Een andere winnaar is de Zwartkopmeeuw die vooral in het deltagebied wordt waargenomen, maar ook in De Onlanden wordt gesignaleerd. Het is, net als de Kokmeeuw, een kolonievogel waarvan er in 2017 al zo’n 5000 paartjes waren, met op de Ventjagersplaten een voorheen ongekend grote kolonie van ruim 1500 paren.

Onverminderd slecht gaat het met de boerenlandvogels. Over de oorzaken heb ik het hier meermaals gehad. Over andere vogels als de Korhoen, Grauwe gors, Duinpieper, Ortolaan, Kuifleeuwerik kun je stellen dat ze, op een incidenteel geval na, in Nederland zijn uitgestorven. De Visarend is in 2017 nog niet in het rapport opgenomen, maar het is bekend dat er al sprake was van een broedgeval. De foto is helaas niet van mij, maar van Theo Bus uit Wildervank. Hij maakt prachtige foto’s, waarvan er veel meer zijn te bewonderen op zijn website www.digitaalgeschoten.nl en dan zal het u opvallen dat hij ook in verre oorden heeft vertoefd. De foto van de Visarend heeft hij trouwens in De Onlanden gemaakt, waar deze specialist de laatste tijd vaker wordt gespot. Afgelopen zondag zag ik hem nog jagen in de Zuidermaden, overigens zonder succes. Zijn (veel) grotere broer de Zeearend heeft zich met steeds meer paartjes in Nederland gevestigd en je mag verwachten dat dit ook voor de Visarend gaat gelden. ’Gewone’ soorten als de Spreeuw, Zwarte mees en Matkop kennen een negatieve tendens en met de Tapuit gaat het ronduit beroerd. Toch is er in Nederland sprake van een licht positieve tendens. Het heeft mede te maken met het afwisselende landschap. Er komen hier veel bijzondere soorten voor die Europeesrechtelijk vastgelegde verplichtingen kennen om ze te behouden.