Wintergasten

    column-cees-zeekoet

    Puur Natuur

    In het kader van een vogelcursus van IVN Roden over wintergasten verkeerden we afgelopen zaterdag met een gezellige groep mensen in het Lauwersmeergebied. Eerst zag het er naar uit dat vanwege slechte weersverwachtingen de zaak niet zou kunnen doorgaan, maar naarmate we het weekeinde naderden werden de verwachtingen bijgesteld en uiteindelijk konden we zelfs genieten van de zon. Nou ja, koud was het wel, maar met goede kleding heb je daar geen last van.

    In de aankondiging van de cursus had ik geschreven dat de meeste ganzen vroeger echte wintergasten waren en dat slechts de Grauwe gans hier inheems is. Nadat deze soort bijna was uitgestorven is hij nu zo sterk in aantal toegenomen dat er (door landbouwers) hinder van wordt ondervonden. Soorten als de Brand- en Kolgans waren echte wintergasten, maar tegenwoordig hebben deze zich hier ook gevestigd. Je kunt je er wel iets bij voorstellen, want waarom zou je een pokkeneind vliegen, met bovendien allerlei gevaren onderweg, als de omstandigheden hier goed zijn. Toch vertrekt het gros in het voorjaar wel naar streken in het ’hoge noorden’. Dan heb je het, incluis de riet- en rotganzen, over honderdduizenden vogels die hier de winter doorbrengen. Wanneer het streng vriest en er sneeuw valt trekken al die ganzen verder zuidwaarts, maar de laatste jaren is er nauwelijks nog sprake van echt winterweer en dus hoeven ze daar geen energie in te steken.

    Waarschijnlijk is dat ook de reden dat we hier nog maar zelden de Bonte kraai zien. Tot pakweg 10 jaar geleden was dit in de winterperiode een algemene verschijning, maar tegenwoordig blijft deze soort in zijn broedgebied. Wanneer je de grens oversteekt zie je ze vanaf Sleeswijk-Holstein en noordelijker. Dat het eigenlijk ’te warm’ voor de tijd van het jaar is bleek uit de waarneming van de Bruine kiekendief (man en vrouw). Meestal vertrekken die in oktober, maar er is jaarlijks wel sprake van enkele overwinteraars. Wat waarschijnlijk nu meespeelt is dat er kennelijk nogal wat muizen zijn te verschalken. Als gevolg van het muizenjaar van een jaar eerder, en een na-ijleffect, is de Torenvalk behoorlijk in aantal toegenomen. Daarvan zagen we onderweg wel twaalf exemplaren, terwijl dat in sommige jaren een stuk minder is. Maar ook hier geldt: Zo gewonnen, zo geronnen. In jaren van voedselschaarste neemt hun aantal weer drastisch af.

    Een echte wintergast die we zagen was de Ruigpootbuizerd. Deze roofvogel is jaarlijks wel te zien, zij het in een bescheiden aantal. Veel van de deelnemers waren nog ’behoorlijk groen’ qua vogelkennis en het aanschouwen van tal van vogels was voor hen een eerste kennismaking. De Steenloper bijvoorbeeld, hoewel die bijna altijd wel is te zien op de kasseien van de haven van Lauwersoog. Nu zaten er minstens honderd. Toen we daar waren hoorden we dat er zelfs een Alk ergens moest rondzwemmen, dus zijn we ernaar op zoek gegaan en kregen hem ook al snel in beeld. Toen bleek echter dat het geen Alk was maar een Zeekoet (foto), weliswaar een soort met een vrijwel eender kleed. Deze onderscheidt zich van de Alk door een slanke, puntige snavel en een rondere kop. Het klapstuk van de dag zagen we aan de Friese kant (Ezumakeeg zuid) waar zich drie Rosse franjepoten ophielden. Dat zijn echt zeldzame vogels die soms laat in het najaar, en dan meestal na stormen, hier aan de kust zijn te zien. Algemeen voorkomende wintergasten als de Kramsvogel en Koperwiek zagen we deze dag ook regelmatig. Dat zijn vogels die we regelmatig in onze tuinen te zien krijgen. Hier en daar zijn ze vast al wel gezien, maar in het buitengebied is er nog volop voedsel te vinden. Meestal komen ze pas in tuinen als het echt winter wordt. Maar of die er komt moeten we voorlopig afwachten.